| 20348 |
kleinzoon |
kleinkind:
kleekink (Q117p Nieuwenhagen)
|
kleinzoon [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 31666 |
klemblok, felsapparaat |
klemblok:
klɛmblǫk (Q117p Nieuwenhagen)
|
Een soort blok dat bestaat uit twee bekken met in ieder daarvan halfronde openingen van verschillende maat, waartussen men pijpen kan vastzetten om daaraan met behulp van een doorn een kraag te kunnen slaan. Daarbij wordt een houten hamer gebruikt. Er bestaan ook uitvoeringen van dit apparaat waarbij de doorn met behulp van een spindel in het uiteinde van de pijp wordt gedraaid. Zie ook de lemmata ɛdoornɛ en ɛflensɛ en afb. 253.' [N 64, 121b]
II-11
|
| 31329 |
klemhaak, ketelklem |
klemhaak:
klɛmhǭǝk (Q117p Nieuwenhagen)
|
Hoekige of hoefijzervormige beugel met een draadspindel in het ene been waarmee metaalverbindingen kunnen worden vastgehouden of vastgeklemd. De klemhaak wordt onder meer gebruikt bij klink-, boor- en buigwerk. Zie ook afb. 63. [N 33, 273; N 64, 51a]
II-11
|
| 23215 |
klepel |
klepel:
dr kleëpel (Q117p Nieuwenhagen),
klèëpel (Q117p Nieuwenhagen)
|
De klepel van een klok [bengel?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23462 |
klepklok |
mariaklokje:
maria-klöksjke (Q117p Nieuwenhagen)
|
Hoe noemt men deze kleinste klok?. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23218 |
kleppen |
de torenuur slaat:
bv twèlf oer
de tōēreōēr sjlēēt (Q117p Nieuwenhagen),
voorklimpen:
3x3 sjleëg
vuur-klimpe (Q117p Nieuwenhagen)
|
Vóór de kerkdienst de kleinste klok luiden met korte slagen, anders gezegd: korte slagen geven met de kleinste klok [trumpe, kleppe, pimpe?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 22377 |
kleppers |
kleppers:
kleͅpər (Q117p Nieuwenhagen)
|
Elk van de twee houtjes die de kinderen tussen de vingers snel tegen elkaar slaan om een klepperend geluid te maken [klepper, klapper, kap, klakker]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21353 |
kletsen |
kleppen:
klèppə (Q117p Nieuwenhagen),
ouwehoeren:
Van Dale: ouwehoeren, (inform. spreekt.), 1. vervelend kletsen, zemelen, zaniken; -2. langdurig, wat vertrouwelijk, intiem met elkaar praten.
ouw hōōrə (Q117p Nieuwenhagen),
ploederen:
vgl. Van Dale (DN): plaudern, 1. babbelen, een praatje maken; -2. gezellig praten, onderhouden vertellen; -3. een geheim niet kunnen bewaren.
ploedərə (Q117p Nieuwenhagen),
quatschen (du.):
vgl. WBD III, 3.1: kwatsen: Tilburg (K 183).
kwàtsjə (Q117p Nieuwenhagen)
|
praten [DC 02 (1932)] || praten over dingen van weinig belang [zwetsen, kletsen, snateren, klappen, snabbelen, wauwelen, teuten, kebbelen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 33997 |
kletsoor |
klatsedoor:
klatšǝdūr (Q117p Nieuwenhagen)
|
Dun eindje touw of leer aan het uiteinde van het snoer van de zweep dat bij het slaan een knallend geluid maakt. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; N 13, 95c; L B2, 245; L 8, 142; R 14]
I-10
|
| 21337 |
kletswijf |
viswijf:
vŭsjwīēf (Q117p Nieuwenhagen),
waswijf:
wèsjwīēf (Q117p Nieuwenhagen)
|
een vrouw die veel babbelt [klappei, kwek, kommeer, blameer, viswijf] [N 87 (1981)]
III-3-1
|