| 20309 |
meisje |
deern:
dén (L216a Oostrum),
ding:
ding (L216a Oostrum),
maagdje:
megje (L216a Oostrum),
meid:
mejd (L216a Oostrum),
meidje:
mádje (L216a Oostrum)
|
meisje || meisje dat nog in peuter/kleuter-leeftijd is
III-2-2
|
| 20366 |
meisje met wie een jongen verkering heeft |
meid:
mejd (L216a Oostrum)
|
meisje waarmee men verkering had (vroegere benaming)
III-2-2
|
| 20381 |
meisje met wie men verloofd is |
aanstaande:
ánstónde (L216a Oostrum)
|
aanstaande, verloofde, vriend(in)
III-2-2
|
| 24543 |
melde |
schietmelde:
schietmeld (L216a Oostrum)
|
melde, witte ganzenvoet
III-4-3
|
| 34237 |
melk |
romen:
roǝmǝ (L216a Oostrum),
rōmǝ (L216a Oostrum)
|
De hoofdzakelijk uit water, eiwit, vet en melksuiker bestaande witte vloeistof die door het vrouwelijk rund wordt afgescheiden. Op de kaart is het woordtype melk niet opgenomen. [A3, 3; A 11, 1c; A 17, 17; A 7, 14; RND 40; RND 127; S 23; JG 1a, 1b, 2c; L 1a-m; L 4, 3; L 29, 5; NE 3, V 6n; Vld.; Gwn 10, 1; monogr.]
I-11
|
| 19514 |
melkkannetje |
romekannetje:
roeëmekenneke (L216a Oostrum)
|
melkkannetje
III-2-1
|
| 34568 |
melkkar |
romekar:
ruǝmǝkar (L216a Oostrum)
|
Kar om melkbussen van meerdere boeren van en naar de fabriek te brengen. Het was meestal een lange kar met een groot bodemoppervlak en lage zij-, voor- en achterplanken. [N 17, 15; N G 51; monogr.]
I-13
|
| 19930 |
melkzeef |
melkzij:
mɛlǝkzēi̯ (L216a Oostrum)
|
Voorwerp waarmee men melk zeeft. Het is een soort vergiet met als bodem een doek. De melk wordt uit de melkemmer via deze melkzeef in de melkbus gegoten. Hierdoor blijven grove verontreinigingen achter. Zie afbeelding 11. [A 18, 11a; L 48, 35.Ia; Lu 2, 35.Ia; Gwn 8, 6; JG 1d; monogr.]
I-11
|
| 20470 |
menstruatie |
kermis:
de kermes (L216a Oostrum),
verandering:
verândering (L216a Oostrum)
|
menstruatieperiode
III-2-2
|
| 20471 |
menstrueren |
de week hebben:
de waek hebbe (L216a Oostrum)
|
menstruatieperiode
III-2-2
|