| 20309 |
meisje |
gors:
nogal denigrerend
gòrs (L416p Opglabbeek),
maagdje:
mèchtjə (L416p Opglabbeek),
afleiding van maagd
mèègdsje (L416p Opglabbeek),
meisje:
mèsche (L416p Opglabbeek),
pul:
pöl (L416p Opglabbeek),
vrouwtje:
vruiwke (L416p Opglabbeek),
wicht:
wècht (L416p Opglabbeek)
|
een (niet noodzakelijk) kleinevrouw, als een jeugdig meisje || knap en flink meisje || meisje [ZND 11 (1925)]
III-2-2
|
| 20381 |
meisje met wie men verloofd is |
wicht:
wècht (L416p Opglabbeek)
|
verloofde of vriendin
III-2-2
|
| 18736 |
meisjeshemd? |
onderlijfje:
onderliefke (L416p Opglabbeek)
|
Onderhemd voor meisjes. Hoe noemt men in uw dialect het hemd dat onder de bovenkleding wordt gedragen, direct op het lichaam: van meisjes? [DC 62 (1987)]
III-1-3
|
| 18734 |
meisjesonderbroek? |
onderboks:
oenderboeks (L416p Opglabbeek)
|
Onderbroek voor meisjes. [DC 62 (1987)]
III-1-3
|
| 18583 |
meisjesondergoed |
ondergoed voor meisjes:
oendergoet vier mijsjes (L416p Opglabbeek)
|
Ondergoed voor meisjes. [DC 62 (1987)]
III-1-3
|
| 34454 |
mekkeren |
bleten:
blē̜tǝ (L416p Opglabbeek)
|
Geluid voortbrengen, gezegd van de geit. [N 19, 76b; monogr.]
I-12
|
| 33294 |
melganzevoet |
smeel:
smēl (L416p Opglabbeek)
|
Chenopodium album L. Zeer algemeen voorkomend onkruid op braakliggend land en bouwland, vooral bij sterke bemesting, en met name ook waar pulpkuilen gestaan hebben. Het heeft witte bloemtrosjes, die van juli tot de herfst bloeien, en bladeren die van boven dof en van onder wit-melig zijn. De hoogte varieert van 15 tot 120 cm. [JG 1a, 1b; A 60A, 83; monogr.]
I-5
|
| 20970 |
melig |
flets:
WBD/WLD
fletsj (L416p Opglabbeek),
melig:
WBD/WLD
mèlig (L416p Opglabbeek),
modderrijp:
WBD/WLD
mòddərrīēp (L416p Opglabbeek)
|
Te rijp en daardoor droog en korrelig, gezegd van een vrucht (meelachtig, melen, versleten, melig). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 34237 |
melk |
melk:
męlǝk (L416p Opglabbeek),
mɛlk (L416p Opglabbeek),
mɛlǝk (L416p Opglabbeek)
|
De hoofdzakelijk uit water, eiwit, vet en melksuiker bestaande witte vloeistof die door het vrouwelijk rund wordt afgescheiden. Op de kaart is het woordtype melk niet opgenomen. [A3, 3; A 11, 1c; A 17, 17; A 7, 14; RND 40; RND 127; S 23; JG 1a, 1b, 2c; L 1a-m; L 4, 3; L 29, 5; NE 3, V 6n; Vld.; Gwn 10, 1; monogr.]
I-11
|
| 33882 |
melk van het paard |
merremelk:
męrǝmęlǝk (L416p Opglabbeek)
|
De biest- of paardsmelk bevat ingrediënten die het veulen tegen verscheidene ziekten weerstand geven en die er bovendien voor zorgen dat het darmpek, de taaie, donkere substantie die zich in de darmen van het pasgeboren veulen bevindt (zie het lemma ''de eerste uitwerpselen van het veulen'' (5.7)), verwijderd wordt.' [N 8, 32.6 en 57]
I-9
|