| 33651 |
omwalde akker |
hof:
hōf (L416p Opglabbeek)
|
Een akker welke omsloten is door een akkerwal, een brede gracht of door bossen. [N 11, 2e; N 11, 2f; N 27, 3b; A 10, 4; monogr.]
I-8
|
| 34211 |
omweiden |
omzetten:
umzętǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het geregeld verplaatsen van vee. [N 3A, 11; monogr.]
I-11
|
| 25685 |
omzetten |
omscheppen:
omšępǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het met de graanschop omkeren van het op de graanzolder uitgespreide graan. [JG 1a, 1b, 2c]
I-4
|
| 25087 |
onbelangrijk |
beetje:
bitjə (L416p Opglabbeek),
waardeloos:
wéérdəlūūs (L416p Opglabbeek)
|
een voorwerp zonder waarde; een zaak van geen enkel belang [nietlig, nietigheid, dodeman, lacheding] [N 91 (1982)] || niet veel [luttel, min, schriel, weinig] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 21845 |
onbeleefd |
onbeschoft:
ŏĕnbəsjōēft (L416p Opglabbeek)
|
niet wellevend, handelend in strijd met de beleefdheid [onbeleefd, bot] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 21441 |
onbetrouwbare koopman |
jood:
ps. omgespeld volgens Frings.
jy(3)̄t (L416p Opglabbeek),
jyd (L416p Opglabbeek),
judas:
ps. omgespeld volgens Frings.
jy(3)̄das (L416p Opglabbeek),
sjachelaar:
ps. omgespeld volgens Frings.
šaxəlēͅr (L416p Opglabbeek)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: scheldwoorden of misprijzende woorden kent uw dialect voor een weinig koopkrachtig en onbetrouwbaar koopman [kremmer, toesser, ruilebuiter, voorsnijer?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 34410 |
onbevruchte ooi |
mans schaap:
mau̯s sxǭp (L416p Opglabbeek)
|
[N 77, 36]
I-12
|
| 25149 |
onbewolkt |
klaar:
klaor (L416p Opglabbeek),
klòr (L416p Opglabbeek),
ps. omgespeld volgens Grootaers.
klōͅr (L416p Opglabbeek),
klare lucht:
klaor lòcht (L416p Opglabbeek),
klòòr lòcht (L416p Opglabbeek),
uitgekeerde lucht:
uwtgekīērde lòcht (L416p Opglabbeek)
|
klaar, helder [ZND 19A (1936)] || onverduisterd in licht, schijn of glans [helder, klaar, licht] [N 91 (1982)] || wolkenloos, zonder wolken, gezegd van de lucht [uitgekeerd, uitgeklaard, klaar] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25092 |
onbruikbaar maken, verbruien |
begaden:
bəgáájə (L416p Opglabbeek)
|
onbruikbaar maken, zijn waarde doen verliezen [verworden, verdraaien, begaaien, verbruien, bederven, verpeuteren, nonen, verballemonden] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 28955 |
onderarmsuçon |
zijnaad:
zijnaad (L416p Opglabbeek)
|
Puntnaad die begint onder de oksel. [N 59, 94b]
II-7
|