| 33145 |
opnieuw wannen |
triēren:
triē̜rǝ (L416p Opglabbeek)
|
Als men uit het gezuiverde graan het beste zaad wil halen dat zal dienen als zaaigraan, moet men opnieuw wannen. Men draait de wanmolen dan vlug rond zodat al het fijnere graan wegvliegt. Soms gebeurt dit niet met de wanmolen, maar door het graan te zeven; zie het lemma ''zeven met de handzeef'' (6.3.11). De omschrijvende opgaven met behulp van het heteroniem van het lemma wannen, zoals nog eens doordraaien, of voor de tweede keer doorjagen, zijn hier niet opgenomen. [JG 1a, 1b -gedeeltelijk-]
I-4
|
| 32928 |
opper |
heukel:
hīǝ.kǝl (L416p Opglabbeek),
hoop:
hǫu̯p (L416p Opglabbeek)
|
De grootste soort hooihoop in het veld. [N 14, 112 en 111 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 10, 20; A 16, 3b; A 42, 20b; L 38, 38b; monogr.]
I-3
|
| 17566 |
opperhuid |
vel:
veͅl (L416p Opglabbeek)
|
opperhuid [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 18030 |
oprispen |
rupselen:
Niet zuurachtig.
reͅipsələ (L416p Opglabbeek)
|
oprisping hebben gepaard gaande met een zure smaak in de mond [opzuure] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 19426 |
opruimen |
oprommelen:
oprómmele (L416p Opglabbeek),
opruimen:
òpriemə (L416p Opglabbeek),
rangeren:
rànzjéére (L416p Opglabbeek)
|
Opruimen (opruimen, oprommelen, klarantie maken, ontdoen) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 19321 |
opscheppen |
blagueren (< fr.):
(vgl. A.N. brageren is pronken) di-j is nûw ins alti-jd aan ¯t blagère iêver hèèr hûs, hèèr kleijer, hèèr keiner ...
blagère (L416p Opglabbeek),
bronken:
De moos ze ins zeen brònke möt hère nûwe mantel
brònke (L416p Opglabbeek)
|
pochen, opscheppen || pronken, opscheppen
III-1-4
|
| 19322 |
opschepper |
blaas:
is mich det ein dikke bloas
bloas (L416p Opglabbeek),
blagueur (fr.):
Syn. bluffer of blufkònt
blageur (L416p Opglabbeek),
bluffer:
bluffer (L416p Opglabbeek),
blufkont:
blufkont (L416p Opglabbeek),
jan-mijn-kloten:
eine jan-mi-jn-klute (L416p Opglabbeek),
kale jakker:
ki-jk mich dèè kale jakker(d) ins iêver de stroat paradère es want hèè hiêl Bree aan zi-jn kònt hèèt hange
kale jakker (L416p Opglabbeek),
kale kus-mijn-kloten:
eine kale kis-mi-jn-klute (L416p Opglabbeek),
stoefer:
Verklw. stoeferke
stoefer (L416p Opglabbeek)
|
dwaas, opschepper || een verwaande aansteller || grootspreker || opschepper || opschepper, die daartoe eigenlijk geen reden heeft
III-1-4
|
| 17866 |
opschuiven |
opschuiven:
opschuuven (L416p Opglabbeek),
òpsjīēvə (L416p Opglabbeek)
|
Opschuiven: in een zijwaartse richting schuiven om plaats te maken (opschikken, schavielen, opschuiven). [N 84 (1981)] || Opschuiven: in zijwaartse richting schuiven (opschikken, schavielen, opschuiven, opzij gaan) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 28431 |
opspijlen |
stekken:
stekken (L416p Opglabbeek)
|
De korf van spijlen voorzien. Zie ook het lemma Verstevigingsspijlen. [N 63, 7a]
II-6
|
| 34020 |
opstaan |
hop:
hǫp (L416p Opglabbeek),
op:
ǫp (L416p Opglabbeek)
|
Voermansroep om het paard op te doen staan. [N 8, 95j]
I-10
|