e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
opnieuw wannen triēren: triē̜rǝ (Opglabbeek) Als men uit het gezuiverde graan het beste zaad wil halen dat zal dienen als zaaigraan, moet men opnieuw wannen. Men draait de wanmolen dan vlug rond zodat al het fijnere graan wegvliegt. Soms gebeurt dit niet met de wanmolen, maar door het graan te zeven; zie het lemma ''zeven met de handzeef'' (6.3.11). De omschrijvende opgaven met behulp van het heteroniem van het lemma wannen, zoals nog eens doordraaien, of voor de tweede keer doorjagen, zijn hier niet opgenomen. [JG 1a, 1b -gedeeltelijk-] I-4
opper heukel: hīǝ.kǝl (Opglabbeek), hoop: hǫu̯p (Opglabbeek) De grootste soort hooihoop in het veld. [N 14, 112 en 111 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 10, 20; A 16, 3b; A 42, 20b; L 38, 38b; monogr.] I-3
opperhuid vel: veͅl (Opglabbeek) opperhuid [N 10 (1961)] III-1-1
oprispen rupselen: Niet zuurachtig.  reͅipsələ (Opglabbeek) oprisping hebben gepaard gaande met een zure smaak in de mond [opzuure] [N 10 (1961)] III-1-2
opruimen oprommelen: oprómmele (Opglabbeek), opruimen: òpriemə (Opglabbeek), rangeren: rànzjéére (Opglabbeek) Opruimen (opruimen, oprommelen, klarantie maken, ontdoen) [N 79 (1979)] III-2-1
opscheppen blagueren (< fr.): (vgl. A.N. brageren is pronken) di-j is nûw ins alti-jd aan ¯t blagère iêver hèèr hûs, hèèr kleijer, hèèr keiner ...  blagère (Opglabbeek), bronken: De moos ze ins zeen brònke möt hère nûwe mantel  brònke (Opglabbeek) pochen, opscheppen || pronken, opscheppen III-1-4
opschepper blaas: is mich det ein dikke bloas  bloas (Opglabbeek), blagueur (fr.): Syn. bluffer of blufkònt  blageur (Opglabbeek), bluffer: bluffer (Opglabbeek), blufkont: blufkont (Opglabbeek), jan-mijn-kloten: eine jan-mi-jn-klute (Opglabbeek), kale jakker: ki-jk mich dèè kale jakker(d) ins iêver de stroat paradère es want hèè hiêl Bree aan zi-jn kònt hèèt hange  kale jakker (Opglabbeek), kale kus-mijn-kloten: eine kale kis-mi-jn-klute (Opglabbeek), stoefer: Verklw. stoeferke  stoefer (Opglabbeek) dwaas, opschepper || een verwaande aansteller || grootspreker || opschepper || opschepper, die daartoe eigenlijk geen reden heeft III-1-4
opschuiven opschuiven: opschuuven (Opglabbeek), òpsjīēvə (Opglabbeek) Opschuiven: in een zijwaartse richting schuiven om plaats te maken (opschikken, schavielen, opschuiven). [N 84 (1981)] || Opschuiven: in zijwaartse richting schuiven (opschikken, schavielen, opschuiven, opzij gaan) [N 108 (2001)] III-1-2
opspijlen stekken: stekken (Opglabbeek) De korf van spijlen voorzien. Zie ook het lemma Verstevigingsspijlen. [N 63, 7a] II-6
opstaan hop: hǫp (Opglabbeek), op: ǫp (Opglabbeek) Voermansroep om het paard op te doen staan. [N 8, 95j] I-10