| 21581 |
sjacheren |
sjachelen:
ps. omgespeld volgens IPA.
šaxələ (L314p Overpelt)
|
Sjacheren, op verachtelijke wijze handel drijven [sjacheren, sjachelen, sjatsen?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 33587 |
sjalot |
sjarlot:
šarloͅtən (L314p Overpelt)
|
sjalotten (pl) [Goossens 1b (1960)]
I-7
|
| 33550 |
sla, algemeen |
salade:
slōi (L314p Overpelt)
|
[Goossens 1b (1960)]
I-7
|
| 17870 |
slaan |
houwen:
hoͅwən (L314p Overpelt),
slaan:
bunt ɛn blāu gəslāgə (L314p Overpelt),
paars en blauw gesloagen (L314p Overpelt),
pɛirs ən blauw gəslagən (L314p Overpelt),
Meest freq. gebruikt.
sloͅən (L314p Overpelt)
|
bont en blauw geslagen [RND] || slaan [ZND B2 (1940sq)] || ze hebben hem paars en blauw geslagen (de echte dialectische uitdrukking opgeven) [ZND 40 (1942)]
III-1-2
|
| 17744 |
slaap |
slaap:
slōͅp (L314p Overpelt)
|
slaap [N 10b (1961)]
III-1-1
|
| 25342 |
slachten |
slachten:
sláxtǝ (L314p Overpelt)
|
Doden van vee met de bedoeling het als voedsel te gebruiken. Wat het woordtype "dooddoen" betreft, merken verschillende informanten (in K 353, P 50, P 177, P 179, P 180, P 185) op, dat het verouderd is. [JG 1a + 1b + 2c: R 14, 231 add.; S 33; monogr.]
II-1
|
| 25426 |
slachthout |
varkenskluppel:
vɛrkǝnskløpǝl (L314p Overpelt)
|
Het stuk hout waaraan het geslachte dier ter verdere verwerking wordt opgehangen. De semantische overeenkomst met "spanhout" is vrij groot, omdat het spanhout en het slachthout tegelijk de functie kunnen hebben het "dichtklappen" van het dier te voorkomen. Toch zijn beide begrippen in twee aparte lemmata verwerkt. Zie ook het lemma ''spanhout''. [N 28, 64; N 28, 66; N 5aII, 62b]
II-1
|
| 25343 |
slachtklaar |
vaardig:
vē̜rex (L314p Overpelt),
vɛ̄rǝx (L314p Overpelt)
|
Bij het lezen van dit lemma moet men beseffen dat het begrip "slachtklaar" door de respondenten verschillend opgevat kan zijn. De betekenis kan zijn "vet genoeg om geslacht te worden" of "gereed staande voor de slachter of het slachthuis". [N 3a, 78]
II-1
|
| 34049 |
slachtrijp |
vaardig:
vē̜rex (L314p Overpelt),
vɛ̄rǝx (L314p Overpelt)
|
Vet genoeg om geslacht te worden, gezegd van het mestkalf. [N 3A, 78]
I-11
|
| 33728 |
slagboom |
draaiboom:
draaiboom (L314p Overpelt)
|
Een toegangshek in de vorm van een enkele boom die om een paal draait, aangebracht in een omheining of op een dam in een sloot bijvoorbeeld. [A 25, 5b; L 19B, 6; monogr.]
I-8
|