| 25105 |
bestendig weer |
het weer zit vast:
’t wèèr zit vas (L387p Posterholt),
vast (weer):
vas (L387p Posterholt)
|
bestendig weer [vaste lucht] [N 22 (1963)] || lucht die vast, bestendig weer betekent [hooilucht, vaste lucht] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 23976 |
bestialiteit |
de beest uithangen:
de bêês oethange (L387p Posterholt)
|
Bestialiteit, geslachtsomgang met wezens van een andere natuur. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 33607 |
besvrucht, algemeen |
bes:
WLD
bes (L387p Posterholt),
miemer:
miemer (L387p Posterholt),
miemere (L387p Posterholt)
|
bes [SGV (1914)] || bessen [SGV (1914)] || Een vlezige sapige vrucht die aan een struik groeit (bes, bizzem, bezie, beer, bees, bezing, baaie). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 21875 |
betaling |
paai:
pej (L387p Posterholt)
|
de betaling voor bijv. geleverde goederen [paai] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 18845 |
beteuterd |
beteuterd:
beteuterd (L387p Posterholt),
sip:
sip (L387p Posterholt),
van streek:
van sjtreek (L387p Posterholt)
|
beteuterd [SGV (1914)] || op zijn neus kijkend, erg teleurgesteld zijnd [sip, arig, dreuig, vernepen, suf, onnozel, bedonderd] [N 85 (1981)] || van zijn stuk gebracht, van streek [bedonderd, beteuterd] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 27448 |
beton |
beton:
bǝton (L387p Posterholt)
|
Een mengsel van cementspecie met een grove toeslag, bijv. grind, steenslag of bims, dat in bepaalde verhouding onder toevoeging van water wordt gemengd en tot een steenachtige massa verhardt. Een betonmengsel van één deel cement, twee delen zand en drie delen kiezel werd in L 321 een 'missing' ('meseŋ'), van 'missen' ø̄mengenø̄, genoemd. [N 30, 47a; N 30, 50; monogr.]
II-9
|
| 30046 |
beton storten |
storten:
štǫrtǝ (L387p Posterholt)
|
De aangemaakte vloeibare beton in de bekisting gieten. Zie voor de fonetische documentatie van het woord '(beton)' het lemma 'Beton'. [N 30, 51c]
II-9
|
| 21516 |
betrappen |
traperen (<fr.):
trappere (L387p Posterholt)
|
een dief bij het stelen verrassen [betrappen, attraperen] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 25106 |
betrekken (lucht) |
dreigen:
dreigt (L387p Posterholt),
gaan betrekken:
de lòòg geit betreikke (L387p Posterholt)
|
dicht gaan zitten zodat er regen dreigt, gezegd van de lucht [de lucht overtrekt, groeit, belommert] [N 22 (1963)] || eerst helder zijn, maar daarna dreigen te gaan regenen, gezegd van het weer [zich berouwen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 18157 |
betten van een wonde |
betten:
bette (L387p Posterholt)
|
lessen: Een wonde betten (lessen, betten). [N 84 (1981)]
III-1-2
|