| 29627 |
houweel |
hak:
hak (L373p Roosteren),
karhak:
karhak (L373p Roosteren)
|
Houweel of hak die vroeger gebruikt werd om de wielen van de kar of wagen vrij te maken als die vastgelopen was op slechte wegen. Deze hak werd ook gebruikt als steun voor de kar of wagen tot de wegen beter werden en de hak als steun vervangen werd door de zware karsteun. [N 17, 83; JG 1d; monogr.]
I-13
|
| 29956 |
houwhamer |
kapbeitel:
kap˱bęjtǝl (L373p Roosteren)
|
Tweesnijdende beitel met een handgreep in het midden, gebruikt om metselstenen te bekappen. Zie ook afb. 16. [N 30, 15b; monogr.]
II-9
|
| 18049 |
huidschilfers |
schilfertjes:
sjilferkes (L373p Roosteren),
schurft:
sjurf (L373p Roosteren)
|
schilfers op de huid [blusters] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 34618 |
huif van de huifkar |
huif:
huf (L373p Roosteren)
|
Kap van de huifkar. Deze kap wordt over hoepels getrokken, die vooraf op een hooikar gezet worden. [N 17, 10b; S 15; Wi 17; L 27, 32; L 1a-m; monogr]
I-13
|
| 18647 |
huifkar |
huifkar:
hufkar (L373p Roosteren)
|
Benaming voor een hoogkar waarop men een huif gezet heeft, zodat de kar voor personenvervoer gebruikt kon worden (bijv. bij kerk- en marktbezoek). Soms werd de huifkar ook voor vrachtvervoer, bijv. van meel, gebruikt. Zie ook het lemma molenkar in wld II.3. De huif was een linnen doek die over houten hoepels gespannen werd. Deze hoepels werden op hun beurt tegen de zijkanten van de kar bevestigd. Bovendien hing men aan de kar een trede, die het instappen vergemakkelijkte. [N 17, 10a + 15; N G, 51; JG 1a; S 15; L 27, 33; L 1a-m; R 3, 61; monogr.]
I-13
|
| 18876 |
huilen |
beuken:
beuke (L373p Roosteren),
brullen:
brulle (L373p Roosteren),
grijnen:
griene (L373p Roosteren)
|
huilen: kinderen bij pijn/verdriet; volwassenen [DC 17 (1949)]
III-1-4
|
| 24172 |
huismus, mus |
mus:
mös (L373p Roosteren),
eigen spelling; omgespeld
møͅš (L373p Roosteren)
|
Hoe heet de huismusch? [DC 06 (1938)] || huismus (14,5 overal bij de mensen door ieder gekend; wijfje geheel bruin [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 24389 |
huisvlieg, vlieg |
vlieg:
vleeg (L373p Roosteren)
|
vlieg, huisvlieg [DC 18 (1950)]
III-4-2
|
| 24173 |
huiszwaluw |
huiszwalg:
eigen spelling; omgespeld
huszwalx (L373p Roosteren)
|
huiszwaluw (12,5 helemaal wit van onder; witte stuit; kleinest buiten tegen een woning of kerk [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17997 |
huiveren |
rijderen:
riejere (L373p Roosteren),
rillen:
rille (L373p Roosteren)
|
huiveren, bijv. van koe [grille, de griezel op het lijf krijge, rijeren] [N 10 (1961)]
III-1-2
|