| 19599 |
lantaarn |
lantaarn:
lanteͅr (L420p Rotem),
lantèr (L420p Rotem),
lantaarntje:
lantaarentje
lantɛ̄rkə (L420p Rotem)
|
lamp/ luchter; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || lantaarn [ZND 01 (1922)], [ZND 37 (1941)]
III-2-1
|
| 18346 |
lap op een schoen |
lap:
lap (L420p Rotem)
|
lap op een schoen, stukje leer waarmee het bovenleer wordt gerepareerd [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 19297 |
lastig (werken) |
lastig:
ook materiaal znd 30, 02
lestig (L420p Rotem)
|
lastig [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 17814 |
laten |
laten:
laoten (L420p Rotem),
leute (L420p Rotem),
leuten (L420p Rotem)
|
laten [ZND 08 (1925)], [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 33384 |
latierboom |
balk:
balǝk (L420p Rotem),
box (e.):
buks (L420p Rotem)
|
Een horizontale balk die twee paarden van elkaar scheidt, meestal hangend aan kettingen, ook wel vast verbonden. In plaats van een hangende balk kan er ook een eenvoudige en niet al te hoge tussenwand zijn. Met een box is een afgeschutte ruimte voor één paard bedoeld; de tussenwand maakt dan deel uit van de box. [N 5A, 59d; monogr.]
I-6
|
| 34642 |
latwerk |
raam:
rām (L420p Rotem)
|
Latwerk dat op de berries van de kruiwagen gelegd werd, ten einde het laadvlak te vergroten. [N 18, 101; JG 1d]
I-13
|
| 24990 |
lauw |
lauw:
au niet ou
lauw water (L420p Rotem)
|
Lauw. Lauw water [ZND 37 (1941)]
III-4-4
|
| 18356 |
lederen pantoffel |
slof:
slóffe (L420p Rotem)
|
pantoffels, lederen ~, gemakkelijke huisschoenen zonder veters [petoffels, pantoefels, trumpe, sjlutsje, sloffe, sjloebe] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 20479 |
leeftijd, ouderdom |
ouderdom:
auwərdom (L420p Rotem)
|
ouderdom [ZND 05 (1924)]
III-2-2
|
| 20953 |
leeg, gezegd van een noot |
doof:
verzamelfiche ook mat. van ZND 1 (a-m)
dauv beuk (L420p Rotem),
dauv noeoot (L420p Rotem)
|
loze noot [ZND 30 (1939)]
III-2-3
|