| 33047 |
metalen deel van de mathaak |
haak:
ǭk (L420p Rotem)
|
De licht gebogen ijzeren tand van de mathaak. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). [N 18, 72b; monogr.; add. uit JG 1b]
I-4
|
| 34369 |
metalen scheplepel |
schepper:
šø̜pǝr (L420p Rotem),
voerlepel:
vōrlipǝl (L420p Rotem)
|
Lepel van metaal om varkensvoer mee op te scheppen. [N 18, 132; monogr.]
I-12
|
| 32892 |
metalen tongetjes |
bramen:
brǭmǝ(n) (L420p Rotem)
|
De onregelmatigheden aan de snijkant van de zeis, uitstulpingen in de vorm van metalen tongetjes of lipjes, die kunnen ontstaan bij ondeskundig haren. Het lemma bevat meervouden en enkelvouden. [N 18, 90; monogr.]
I-3
|
| 18379 |
metalen uiteinde van een schoenveter |
ijzertje:
eͅizərkəs (L420p Rotem),
malie:
malie (L420p Rotem)
|
metalen uiteinde van een schoenveter [malie] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 29920 |
metselaar |
metselaar:
mɛ ̝tsǝlē̜r (L420p Rotem),
mɛtsǝlē̜r (L420p Rotem)
|
Ambachtsman die metselwerk verricht. Zie ook de toelichting bij de lemmata 'metselen' en 'handlanger'. [Wi 2; S 23; L 1a-m; L 17, 30; L B1, 103; RND 46; N 30, 1a; N 95, 159; monogr.; Vld]
II-9
|
| 29921 |
metselen |
metselen:
mɛtsǝlǝ (L420p Rotem)
|
Bij de bouw van stenen huizen met behulp van mortel de afzonderlijke stenen tot een samenhangend, vast geheel verbinden. [Wi 57; S 23; L 1a-m; L 31, 21; N 30, 1b; monogr.]
II-9
|
| 29996 |
metselzand |
metselzand:
mɛtsǝlzant (L420p Rotem),
zand:
zant (L420p Rotem)
|
Het zand dat bij de bereiding van mortel aan het bindmiddel, bijvoorbeeld kalk of cement, wordt toegevoegd. Doorgaans wordt gebruik gemaakt van rivierzand omdat dit scherp, schoon en ongelijk van korrelgrootte is. In Q 4 werd het zand doorgaans genoemd naar de plaats van herkomst. Ook de woordtypen 'brunssummmer zand' (Q 203), 'helchterse zand' (P 51), 'helchterse' (K 359) en 'lommelzand' (K 353, K 359, P 56) verwijzen naar plaatsen waar zand wordt of werd afgegraven. Zie voor het woordtype 'chape-zand' (L 364) het lemma 'Vloermortel'. [N 30, 36a; N 30, 36b; N 27, 47; L 42, 57; monogr.]
II-9
|
| 32088 |
meubelmaker |
meubelmaker:
mjø̄bǝlmākǝr (L420p Rotem)
|
Ambachtsman die meubels vervaardigt. [N 55, 166a; L 34, 19b; monogr.]
II-12
|
| 20123 |
miauwen |
miauwen:
miáu.ə (L420p Rotem)
|
miauwen [Goossens 1b (1960)]
III-2-1
|
| 24901 |
middag (s middags) |
middag:
middig (L420p Rotem),
middəch (L420p Rotem),
noen:
noon (L420p Rotem)
|
middag [RND], [ZND 38 (1942)]
III-4-4
|