| 19934 |
schoorsteenmantel |
schouw:
šǫw (L378p Stevensweert)
|
Bekleding waarmee het metselwerk van een schoorsteenstoel aan het oog wordt onttrokken. Schoorsteenmantels kunnen van hout, marmer of tegels, maar ook van schoonmetselwerk vervaardigd zijn. [N 32, 26b; A 28, 22a-b; monogr.]
II-9
|
| 17648 |
schoot |
schoot:
schôāt (L378p Stevensweert),
sjoat (L378p Stevensweert)
|
schoot [SGV (1914)] || Schoot: de ruimte in de bocht tussen onderlijf en dijen bij een zittend persoon (schoot, slip, slup). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 18331 |
schootsvel |
schootsvel:
sjoètsvel (L378p Stevensweert)
|
schootsvel, voorschoot van leer of grove stof, gedragen door ambachtslieden [voorvel, sloop] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 17962 |
schop |
stamp:
stàmp (L378p Stevensweert)
|
Trap: harde stoot met de voet (trap, schop, stamp). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 33422 |
schop, afdak voor landbouwgereedschappen |
afdak:
āfdāk (L378p Stevensweert),
karreschop:
kerǝsxop (L378p Stevensweert),
schop:
šop (L378p Stevensweert),
šǫp (L378p Stevensweert)
|
Het gedeelte van de boerderij-gebouwen waarin het los gereedschap, de karren, wagens en werktuigen worden opgeslagen. Soms stond deze bergplaats op zichzelf, maar doorgaans was ze tegen de schuur aangebouwd en bestond ze uit een groot afdak, zonder muren. Scherf is een contaminatie van ''schelf(t)'' en ''scherm''. Schaldij is eigenlijk "binnenplaats". Zie ook de plattegronden bij paragraaf 1.2. [N 5A, 73c en 80a; N 5, 105a, 106 en 107; JG 1a, 1b, 1c, 2a, 2b en 2c; L 1a-m; L B1, 179; L 6, 56 en 57; L 12, 1; L 19a, 11; Gwn 4, 1; S 1 en 50; monogr.]
I-6
|
| 17961 |
schoppen |
schoppen:
schöppe (L378p Stevensweert),
sjöpö (L378p Stevensweert)
|
schoppen [SGV (1914)] || Schoppen: met de uitgestoken voet krachtig treffen (schoppen, trappen, trampen, stampen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24492 |
schors (alg.) |
schors:
NCDN
sjòrs (L378p Stevensweert)
|
De buitenste bekleding van een boom (schors, blek, blot, blast). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 18283 |
schort zonder borststuk |
kleine scholk:
die alleen de rok bedekt
kleine šjolk (L378p Stevensweert),
voorschoot:
vùersjōēàt (L378p Stevensweert)
|
voorschoot, werkschort zonder borststuk scholk, skolk, veuring, veurik, sloep, sloof, slopschorteldoek] [N 24 (1964)] || zijn er verschillende namen voor verschillende soorten van deze kledingstukken ? [DC 15 (1947)]
III-1-3
|
| 21367 |
schot |
schot:
ps. alleen het tekentje wat ik niet kan maken omgespeld volgens Frings.
sch[ø͂ͅ}t (L378p Stevensweert)
|
schot [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 19506 |
schotel |
schotel:
gebruikt voor o.a. fruit, vlees, taart of vla
sjòtel (L378p Stevensweert)
|
schotel; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|