| 22641 |
met een drijftol spelen |
kokkerellen:
koekkerelle (L331p Swalmen)
|
Tollen, met de drijftol spelen.
III-3-2
|
| 22760 |
met een priktol spelen |
doppen:
dobbe (L331p Swalmen)
|
Tollen, de priktol werpen.
III-3-2
|
| 32751 |
met een voor spitten |
omgraven:
[omgraven] (L331p Swalmen)
|
Manier van spitten, waarbij men - achterwaarts gaande - de ene voor naast de andere graaft en de uitgestoken aarde omgekeerd in de open voor deponeert. Uit minder specifieke termen als (om)spaden en (om)graven kan worden afgeleid, dat ter plaatse meestal in voren wordt gespit. Voor (delen van) varianten in de (...)-vorm zie men het lemma spitten. [N 11, 65b; N 11A, 148a; monogr.]
I-1
|
| 17946 |
met grote stappen lopen |
doortreden:
doortrèje (L331p Swalmen)
|
stappen, grote ~ maken [stuppen] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 20570 |
met kleine hapjes eten |
pitsen:
pitsə (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt U: Druk eten met kleine hapjes (busselen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 22508 |
met kleppers rondlopen |
klepperen:
kleppere (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Rondlopen met kleppers en ratels in de week vóór Pasen. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 34140 |
met opgeheven staart rondlopen |
bisten:
bēstǝ (L331p Swalmen)
|
[N 3A, 9a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 22347 |
met sneeuwballen gooien |
gooien:
gooie (L331p Swalmen),
sneeuwballen:
sjnēbalə (L331p Swalmen)
|
Met sneeuwballen naar elkaar gooien [ruiken]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 17969 |
met snelheid over iets heen vliegen |
vliegen:
vlêêge (L331p Swalmen)
|
vliegen: Met snelheid over iets heen ~ (snoeken). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19062 |
met tegenzin |
tegen wil en dank:
tëgə wil en dank (L331p Swalmen)
|
tegen heug en meug [SGV (1914)]
III-1-4
|