e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Tegelen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
duig bomstuk: bǫmštø̜k (Tegelen  [(bredere duig waar het bomgat in gemaakt werd)]  ), druif: drūf (Tegelen), duig: duig (Tegelen), staaf: štāf (Tegelen  [(meervoud: štē̜f)]  ) Elk van de gebogen platte stukken hout waaruit de wand van een kuip, ton of vat is samengesteld. Zie ook afb. 207. Volgens een invuller uit Tegelen (L 270) gebruikte de kuiper uit die plaats de benaming staaf (štāf) om een rechte duig aan te duiden. Een gebogen duig werd een duig (dø̜jx) genoemd. In het algemene spraakgebruik was echter het woord druif (drūf) gangbaar. [N E, 10; monogr.] II-12
duim deurtoren: dø̄rtuǝr (Tegelen), duim: doe.m (Tegelen), doem (Tegelen, ... ), doewm (Tegelen), dōēm (Tegelen), raamtoren: rāmtuǝr (Tegelen) duim [N 10 (1961)] || Zie kaart. De in het muurgesteente aangebrachte ijzeren haak voor raam- of deurhengsels. Zie ook afb. 56. In en rond L 289 werd de term her gebruikt voor het metalen scharnierstuk dat aan de deurpost was bevestigd. Het scharnierstuk dat aan de deur vastzat en paste in de her werd 'geheng' ('gǝheŋ') genoemd. Zie voor het woordtype 'toren' ook RhWb viii, k. 1481-1482 s.v. 'Turen': ø̄Türangel, der Stift, um den sich die Tür dreht; auch jener in die Wand geschlagene Eisenhakenø̄, en voor het woordtype 'tordel' ook Limburgs Idioticon, pag. 252, s.v. 'teulder', den, ø̄har, lat. cardo. Geh. Maeskant.ø̄ [N 32, 13a; N 54, 81b-81e; monogr.] II-9, III-1-1
duimeling duimeling: dumeling (Tegelen), duumeling (Tegelen, ... ) hoesje of deel van handschoen dat ter beschermin van een gekwetste vinger wordt geschoven en aan de pols wordt vastgemaakt [sluif, sleuf, duimeling] [N 23 (1964)] III-1-3
duimsteen torensteen: tuǝrštęjn (Tegelen) Stuk hardsteen waarin de duim voor raam- of deurhengsels is bevestigd. Vgl. afb. 56. Zie voor het woorddeel 'toren-' ook de toelichting bij het lemma 'Duim'. [N 32, 13b; monogr.] II-9
duimstok duimstok: dūmštǫk (Tegelen) Vouwbare maatstok waarvan de vier delen ieder vijfentwintig cm lang zijn. Aan de uiteinden is elk deel versterkt met metaal. De metalen scharnieren van de duimstok bestaan uit ronde schijven die over elkaar draaien. De twee scharnieren in het midden zijn penvormig. Vroeger was de duimstok verdeeld volgens de duimschaal; tegenwoordig zijn uitvoeringen in gebruik met aan de ene kant een duimschaal en aan de andere kant een metrische schaal. Zie ook afb. 99. [N 53, 184a; monogr.] II-12
duin zandberg: zankberg (Tegelen) duin, heuvel van zand [zandklip, zandbult, blink] [N 81 (1980)] III-4-4
duivel duivel: duuvel (Tegelen) De duivel [duvel, duuvel, deivel]. [N 96D (1989)] III-3-3
duivenhok duifkouw: dø̜i̯kǫu̯ (Tegelen), duivenhok: duvehok (Tegelen), duivenkooi: duvǝkǫu̯ (Tegelen) Soms vindt men in de nok van de zolder een afgeschotte ruimte voor de duiven, die door een gat in de gevel of in het dak in en uit kunnen vliegen. Hier staan de benamingen voor het duivenhok, ongeacht de vorm van dat hok, bijeen. De termen slag en spijker in dit lemma hebben betrekking op de duivenkooi als geheel. Zie ook het lemma "duivenslag" (3.4.8). In kaart 51 zijn voor Belgisch Limburg alleen de mondeling verzamelde gegevens in kaart gebracht. Zie afbeelding 17. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 10, 9k; L 8, 9a; L 38, 31; S 37; monogr. add. uit N 5A, 58c "til" en JG 2c; A 28, 14c "spijker] I-6
duizelig dol: dol (Tegelen, ... ), dol in de kop (Tegelen), dol in de kop zien (Tegelen), dól (Tegelen), ich wèer zoe dol as ⁄n kuuke (Tegelen), van róngkdrejje würs ⁄se dŏ:l (Tegelen), zoewe wuu:rse do:l (Tegelen), zoē dol as ein kuu:ke (Tegelen), zôê wûûrse do‧l as ein kuu:ke (Tegelen), zôê wûûrste dol (Tegelen), duizelig: as ⁄se op de kop vèls wûrs ⁄se duzelig (Tegelen), duuzelig (Tegelen, ... ), duu‧zeleg waere (Tegelen), duu‧zelig (Tegelen), duzelig (Tegelen), dūūzelig (Tegelen), knaap duuzelig (Tegelen), zoewe wuu:rse duuzelig (Tegelen), Ook: duuzelig.  doezelig (Tegelen), verduizeld: (as ⁄se op de kop vèls wûrs ⁄se) verdüsseld (Tegelen), verduu:zeld (Tegelen), zat: zat (Tegelen) dol worden, iemand die lang heeft of is rondgedraaid [N 07 (1961)] || duizelig [locht, deuzig, duizig, dol, zat] [N 10a (1961)] || duizelig worden, iemand die een harde slag op zijn hoofd heeft gekregen [N 07 (1961)] || duizelig zijn [DC 60 (1985)] || duizeligheid [DC 60 (1985)] III-1-2
duizelig zijn draaien, ze zien -: ich zeen ze dreije (Tegelen) duizelig worden, iemand die een harde slag op zijn hoofd heeft gekregen [N 07 (1961)] III-1-2