| 32259 |
duig |
bomstuk:
bǫmštø̜k (L270p Tegelen
[(bredere duig waar het bomgat in gemaakt werd)]
),
druif:
drūf (L270p Tegelen),
duig:
duig (L270p Tegelen),
staaf:
štāf (L270p Tegelen
[(meervoud: štē̜f)]
)
|
Elk van de gebogen platte stukken hout waaruit de wand van een kuip, ton of vat is samengesteld. Zie ook afb. 207. Volgens een invuller uit Tegelen (L 270) gebruikte de kuiper uit die plaats de benaming staaf (štāf) om een rechte duig aan te duiden. Een gebogen duig werd een duig (dø̜jx) genoemd. In het algemene spraakgebruik was echter het woord druif (drūf) gangbaar. [N E, 10; monogr.]
II-12
|
| 17666 |
duim |
deurtoren:
dø̄rtuǝr (L270p Tegelen),
duim:
doe.m (L270p Tegelen),
doem (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
doewm (L270p Tegelen),
dōēm (L270p Tegelen),
raamtoren:
rāmtuǝr (L270p Tegelen)
|
duim [N 10 (1961)] || Zie kaart. De in het muurgesteente aangebrachte ijzeren haak voor raam- of deurhengsels. Zie ook afb. 56. In en rond L 289 werd de term her gebruikt voor het metalen scharnierstuk dat aan de deurpost was bevestigd. Het scharnierstuk dat aan de deur vastzat en paste in de her werd 'geheng' ('gǝheŋ') genoemd. Zie voor het woordtype 'toren' ook RhWb viii, k. 1481-1482 s.v. 'Turen': ø̄Türangel, der Stift, um den sich die Tür dreht; auch jener in die Wand geschlagene Eisenhakenø̄, en voor het woordtype 'tordel' ook Limburgs Idioticon, pag. 252, s.v. 'teulder', den, ø̄har, lat. cardo. Geh. Maeskant.ø̄ [N 32, 13a; N 54, 81b-81e; monogr.]
II-9, III-1-1
|
| 18689 |
duimeling |
duimeling:
dumeling (L270p Tegelen),
duumeling (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
hoesje of deel van handschoen dat ter beschermin van een gekwetste vinger wordt geschoven en aan de pols wordt vastgemaakt [sluif, sleuf, duimeling] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 30344 |
duimsteen |
torensteen:
tuǝrštęjn (L270p Tegelen)
|
Stuk hardsteen waarin de duim voor raam- of deurhengsels is bevestigd. Vgl. afb. 56. Zie voor het woorddeel 'toren-' ook de toelichting bij het lemma 'Duim'. [N 32, 13b; monogr.]
II-9
|
| 28152 |
duimstok |
duimstok:
dūmštǫk (L270p Tegelen)
|
Vouwbare maatstok waarvan de vier delen ieder vijfentwintig cm lang zijn. Aan de uiteinden is elk deel versterkt met metaal. De metalen scharnieren van de duimstok bestaan uit ronde schijven die over elkaar draaien. De twee scharnieren in het midden zijn penvormig. Vroeger was de duimstok verdeeld volgens de duimschaal; tegenwoordig zijn uitvoeringen in gebruik met aan de ene kant een duimschaal en aan de andere kant een metrische schaal. Zie ook afb. 99. [N 53, 184a; monogr.]
II-12
|
| 24921 |
duin |
zandberg:
zankberg (L270p Tegelen)
|
duin, heuvel van zand [zandklip, zandbult, blink] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 23225 |
duivel |
duivel:
duuvel (L270p Tegelen)
|
De duivel [duvel, duuvel, deivel]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 21965 |
duivenhok |
duifkouw:
dø̜i̯kǫu̯ (L270p Tegelen),
duivenhok:
duvehok (L270p Tegelen),
duivenkooi:
duvǝkǫu̯ (L270p Tegelen)
|
Soms vindt men in de nok van de zolder een afgeschotte ruimte voor de duiven, die door een gat in de gevel of in het dak in en uit kunnen vliegen. Hier staan de benamingen voor het duivenhok, ongeacht de vorm van dat hok, bijeen. De termen slag en spijker in dit lemma hebben betrekking op de duivenkooi als geheel. Zie ook het lemma "duivenslag" (3.4.8). In kaart 51 zijn voor Belgisch Limburg alleen de mondeling verzamelde gegevens in kaart gebracht. Zie afbeelding 17. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 10, 9k; L 8, 9a; L 38, 31; S 37; monogr. add. uit N 5A, 58c "til" en JG 2c; A 28, 14c "spijker]
I-6
|
| 18006 |
duizelig |
dol:
dol (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
dol in de kop (L270p Tegelen),
dol in de kop zien (L270p Tegelen),
dól (L270p Tegelen),
ich wèer zoe dol as ⁄n kuuke (L270p Tegelen),
van róngkdrejje würs ⁄se dŏ:l (L270p Tegelen),
zoewe wuu:rse do:l (L270p Tegelen),
zoē dol as ein kuu:ke (L270p Tegelen),
zôê wûûrse do‧l as ein kuu:ke (L270p Tegelen),
zôê wûûrste dol (L270p Tegelen),
duizelig:
as ⁄se op de kop vèls wûrs ⁄se duzelig (L270p Tegelen),
duuzelig (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
duu‧zeleg waere (L270p Tegelen),
duu‧zelig (L270p Tegelen),
duzelig (L270p Tegelen),
dūūzelig (L270p Tegelen),
knaap duuzelig (L270p Tegelen),
zoewe wuu:rse duuzelig (L270p Tegelen),
Ook: duuzelig.
doezelig (L270p Tegelen),
verduizeld:
(as ⁄se op de kop vèls wûrs ⁄se) verdüsseld (L270p Tegelen),
verduu:zeld (L270p Tegelen),
zat:
zat (L270p Tegelen)
|
dol worden, iemand die lang heeft of is rondgedraaid [N 07 (1961)] || duizelig [locht, deuzig, duizig, dol, zat] [N 10a (1961)] || duizelig worden, iemand die een harde slag op zijn hoofd heeft gekregen [N 07 (1961)] || duizelig zijn [DC 60 (1985)] || duizeligheid [DC 60 (1985)]
III-1-2
|
| 18007 |
duizelig zijn |
draaien, ze zien -:
ich zeen ze dreije (L270p Tegelen)
|
duizelig worden, iemand die een harde slag op zijn hoofd heeft gekregen [N 07 (1961)]
III-1-2
|