| 25079 |
langzaam, traag |
langzaam:
langzaam (L374p Thorn),
traag:
traog (L374p Thorn)
|
langzaam [lui, traag, stil, telijig] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 19599 |
lantaarn |
lantaarn:
lantêr (L374p Thorn),
lucht:
lucht (L374p Thorn)
|
lantaarn [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 18222 |
lap |
lap:
lap (L374p Thorn)
|
sterke doek of stof [lap, vel, lel, del] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 19171 |
last |
last:
last (L374p Thorn)
|
Een vracht van 2100 kilo, ofwel 30 mud van 70 kilo. [N O, 38o]
II-3
|
| 25304 |
last, maat van 30.000 liter |
last:
last (L374p Thorn)
|
de maat die een inhoud aangeeft van 30.000 liter [last] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18980 |
laster |
laster:
laster (L374p Thorn)
|
het schenden van iemands goede naam [achterpraat, achterklap, laster] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18999 |
lasteren |
beschanden:
besjantje (L374p Thorn),
door de slijk halen:
door de sliek hoole (L374p Thorn)
|
iemands goede naam schenden [labbekakken, insteken, bespreken, rabbelen, klapperen, commeren] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19297 |
lastig (werken) |
lastig:
lestig (L374p Thorn, ...
L374p Thorn),
ongemakkelijk:
ungemaekelik (L374p Thorn)
|
het moeilijk zijn [slameur, last] [N 85 (1981)] || niet zonder moeite of inspanning volbracht of afgedaan kunnend worden, niet gemakkelijk [difficiel, delicaat, ongemakkelijk, onklaar, zwaar moeilijk] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19031 |
lastig kind |
lastig kind:
ein lestig kindj (L374p Thorn),
neet:
neet (L374p Thorn)
|
een kind met een lastig karakter [nest, bernuizig kind, erg] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19289 |
lastig zijn |
greizen:
cf. WNT V, kol. 755-756 s.v. "grijzen (II)"op iemand grijzen, er een verachtelijk en een leelijk gezicht tegen trekken
greize (L374p Thorn),
klieren:
kliere (L374p Thorn),
klierə (L374p Thorn),
vervelen:
vervééle (L374p Thorn)
|
tot last zijn, kwelling veroorzaken [vervelen, klieren, sarren, tergen, hengelen, kneuten, kneuteren, donderjagen, moesjanken,vernooien, verleden] [N 85 (1981)]
III-1-4
|