| 21812 |
lastigvallen |
hinderen:
hinjere (L374p Thorn),
storen:
stèùəre (L374p Thorn)
|
iemand bij zijn werk storen of ophouden [plagen, steken, hinderen] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 17814 |
laten |
laten:
loate (L374p Thorn)
|
laten [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 26616 |
laten afkoelen |
koud laten werden:
kǭt lǭtǝ wę̄rǝ (L374p Thorn)
|
De zakken meel wegzetten om ze te laten afkoelen. [N O, 38f]
II-3
|
| 22076 |
laten uitvliegen |
uitlaten:
Algemene opmerkingen bij deze vragenlijst:
oet laote (L374p Thorn)
|
Hoe zegt men: de duiven eens laten uitvliegen? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 23752 |
laten wijden |
gewijd:
gewiejdje (L374p Thorn),
inzengelen:
inzaengele (L374p Thorn, ...
L374p Thorn),
laten wijden:
laote wieje (L374p Thorn),
laten zengelen:
laote zaengele (L374p Thorn),
stuk grond zengelen:
stok grondj zaengele (L374p Thorn)
|
Een akker laten (in)wijden/(in)zegenen. [N 96B (1989)] || Een huis of gebouw laten (in)wijden/(in)zegenen. [N 96B (1989)] || Een kruisbeeld, een heiligenbeeld(je), een kaars laten wijden/zegenen. [N 96B (1989)] || Een rozenkrans, een scapulier, een medaille, een kruisje laten wijden/zegenen door een priester. [N 96B (1989)] || Een voertuig (auto/wagen) laten wijden/zegenen, op of rond het feest van St. Christoffel (25 juni). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 25226 |
lauw weer |
lauw (weer):
lauw waer (L374p Thorn),
làw (L374p Thorn),
lui (weer):
⁄t is ei luij waer (L374p Thorn)
|
loommakend, gezegd van het weer [lui] [N 81 (1980)] || warm noch koud, gezegd van het weer [lauw, voos] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25036 |
lawaai maken |
laweit maken:
leweit make (L374p Thorn),
lewejt make (L374p Thorn),
spektakel maken:
spiktaakel maake (L374p Thorn)
|
lawaai maken [SGV (1914)] || lawaai, herrie maken [laweiten, laweit maken, gellen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 25035 |
lawaai, herrie |
herrie:
herrie (L374p Thorn),
laweit:
lewejt (L374p Thorn),
spektakel:
spiktaakel (L374p Thorn)
|
een dooreenmengeling van sterke geluiden [leven, herrie, geweld, lawaai, spektakel, rumoer] [N 91 (1982)] || lawaai [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 25317 |
lee, maat van 200 m2 |
lee:
leij (L374p Thorn)
|
de maat die een oppervlakte aangeeft van 200 vierkante meter [lee] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 22416 |
leefnet |
leefnet:
lēͅfneͅt (L374p Thorn),
visnet:
veͅsneͅt (L374p Thorn)
|
Het net waarin men vissen die met de hengel zijn gevangen levend kan houden [leefnet, kaar]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|