| 17945 |
met kleine stapjes lopen |
dribbelen:
B.v. het wécht kwaam aan drubbele.
drubbele (L374p Thorn)
|
lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 22508 |
met kleppers rondlopen |
klepperen:
kleppere (L374p Thorn),
ratelen:
raatele (L374p Thorn)
|
Rondlopen met kleppers en ratels in de week vóór Pasen. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 34140 |
met opgeheven staart rondlopen |
biezen:
bezǝ (L374p Thorn)
|
[N 3A, 9a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 22347 |
met sneeuwballen gooien |
sneeuwballen gooien:
sneebel gooje (L374p Thorn),
sniejbel gooje (L374p Thorn)
|
Met sneeuwballen naar elkaar gooien [ruiken]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 17969 |
met snelheid over iets heen vliegen |
overheen vliegen:
euver her vlege (L374p Thorn)
|
vliegen: Met snelheid over iets heen ~ (snoeken). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 25101 |
met tussenpozen regenen |
nu en dan regenen:
noe en dèn (regenen) (L374p Thorn)
|
af en toe regenen [veuren] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 26210 |
met volle zeilen |
rond in de top:
rontj˱ en dǝn top (L374p Thorn),
volle zeil:
volle zeil (L374p Thorn)
|
Gezegd van een molen wanneer alle zeilen bijgezet zijn. Zie ook afb. 44D. [N O, 7f; N O, 7e; N O, 7c; A 42A, add.]
II-3
|
| 33047 |
metalen deel van de mathaak |
pik:
pek (L374p Thorn)
|
De licht gebogen ijzeren tand van de mathaak. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). [N 18, 72b; monogr.; add. uit JG 1b]
I-4
|
| 26235 |
metalen lager |
metalen baansteen:
mǝtālǝ bānstęjn (L374p Thorn)
|
Lager van metaal waarop de hals van de molenas draait. [N O, 29b]
II-3
|
| 28067 |
meterstok |
vaarstok:
vārstok (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Oranje-Nassau I])
|
Gereedschap van de opzichter. Soort stok van 1 m lengte met als handgreep een klein houweeltje waarvan de ene kant scherp was en waarvan de andere kant een hamertje vormde. In lage pijlers hadden meester-opzichters soms een stokje van 0.5 meter. Met de meterstok kon men in steenwerk vooral direct de afstand tussen de ondersteuningen nameten, bouten aanslaan of vastzetten en losse stenen aankloppen of wegtrekken, aldus de informant van Q 15. [N 95, 129; monogr.]
II-5
|