e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Tongeren

Overzicht

Gevonden: 5750

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
achterneef achterneef: àtërnnêef (Tongeren) achterneef III-2-2
achternicht achternicht: àtërnïch (Tongeren) achternicht III-2-2
achterploeg achterploeg: ātǝr[ploeg] (Tongeren) Het achterste deel van een rad- of karploeg, dat de ploegboom, het ploeglichaam en de staart omvat. [N 11, 31.II.1; N 11A, 100b] I-1
achterste achterste: aatërstë (Tongeren), Uitgestorven.  êêste (Tongeren), achterwerk: aatërwerk (Tongeren), gat: gôôt (Tongeren), kont: kónt (Tongeren), poep: Kindertaal  pōēp (Tongeren), vot: vöd (Tongeren) [N 10c (1995)] III-1-1
achterste keerstrook achterste voordel: ɛ(x)stǝ [voordel] (Tongeren), bovenste voordel: bu̯ǫvǝstǝ [voordel] (Tongeren) De wendakker die het verst van de akkeringang, van de weg of van huis verwijderd ligt. Voor het (...)-gedeelte van varianten zie men het lemma keerstrook ca. [N 11, 51b; N 11A, b; A 33, 5] I-1
achteruit cour (fr.): kōēr (Tongeren), schallij: kaslai (Tongeren), kassëlai (Tongeren), terug: trik (Tongeren), terug-ju(j): trik jy (Tongeren) achteruit || geplaveide achteruit met dak, die als bergplaats dienst deed en waar ook het gemak (w.c.) stond || Voermansroep om het paard achteruit te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95l en 96; L B 2, 254; L 36, 81b; monogr.] I-10, III-2-1
achteruittrappen kappen: kapǝ (Tongeren), slaan: sløn (Tongeren) Met één of beide achterpoten achterwaarts trappen. [JG 1a; N 8, 70a en 72] I-9
achterwand hoofdbred: høi̯t˱brɛt (Tongeren), hø̄i̯t˱brē̜t (Tongeren) De afneembare achterplank van de kar of wagen. Deze plank werd tussen de twee zijwanden geschoven om de laadruimte af te sluiten en kon tijdens het lossen weggenomen worden. Voor de betekenisontwikkelingen van de verschillende woordtypes, zie de toelichting bij het lemma voorwand. Op de kaart zijn voor Belgisch Limburg alleen de gegevens uit de mondelinge enqu√™te opgenomen. [N 17, 30a + 36 + 48; N G, 61c; JG 1a; JG 1b; JG 2b; JG 2c; A 26, 1a; Lu 4, 1a; L 33, 4; L 40, 56; monogr.] I-13
achterwater, onderwater kolk: kǫlǝk (Tongeren), laagwater: lēxwɛtǝr (Tongeren) Het water achter de sluizen. De woordtypen beek (Q 88) en grote wijer (Q 88) zijn specifiek van toepassing op het achterwater bij bovenslagmolens. [Jan 88; Coe 43] II-3
achterwerk achterwerk: ātərweͅrək (Tongeren), kont: kont (Tongeren), i.e. het geheel.  kont (Tongeren), kot: kōēt (Tongeren), mik: Humoristisch.  mik (Tongeren), polder: Kindertaal.  pòlder (Tongeren), vot: voͅt (Tongeren), wang: waŋ (Tongeren) [N 10c (1995)]bil (niet de dij, maar het achterdeel) [N 10b (1961)] || deel van het lichaam waar de bovenbenen tezamen komen [mik, fliermik] [N 10 (1961)] III-1-1