| 18122 |
nijdnagel |
ijwortel:
ijwottels (P174p Velm)
|
ik heb twee nijdnagels (bijwas langs de vingernagel; Fr. envie) [ZND 05 (1924)]
III-1-2
|
| 19455 |
noodbed, kermisbed |
paljas:
paljas (P174p Velm)
|
noodbed, kermisbed [ZND 40 (1942)]
III-2-1
|
| 21651 |
notariskosten |
schrijfgeld:
ps. omgespeld volgens Frings.
sxreͅifgeͅlt (P174p Velm)
|
gelden die bestemd zijn voor de notaris i.v.m. een openbare verkoping van onroerende goederen [ongelden, den bamis, onraad, herengeld?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 18334 |
nylonkous |
nylonkous:
neloŋ koͅəsə (P174p Velm)
|
nylonkousen [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 24903 |
ochtend (vanmorgen |
ochtend:
veur den noen (P174p Velm)
|
s morgens) [ZND 39 (1942)]
III-4-4
|
| 24900 |
ogenblikje, korte tijd, eventjes |
beetje:
bittsje (P174p Velm),
e bitje (P174p Velm),
minuut:
inne minuut (P174p Velm),
moment:
moment (P174p Velm),
ogenblikje:
oeëgenblikske (P174p Velm)
|
een ogenblikje [ZND 04 (1924)] || even [ZND 34 (1940)]
III-4-4
|
| 23227 |
oksaal |
doksaal:
kərieus doksoel (P174p Velm),
oksaal:
e schoeën oksooël be inne nieven eurgel (P174p Velm)
|
Een schoon (d)oksaal (waar het orgel zich bevindt in de kerk). [ZND 39 (1942)] || Een schoon oksaal met een nieuw orgel. [ZND 05 (1924)]
III-3-3
|
| 26677 |
oliemolen |
slagmolen:
slax[molen] (P174p Velm)
|
Wind-, water- of rosmolen waarin uit zaden olie wordt geslagen. Het zaad wordt daartoe gekneusd met behulp van de zgn. kollergang bestaande uit twee verticaal geplaatste loperstenen. Het geplette zaad wordt in een pan verhit en vervolgens in wollen zakjes (builen) geborgen, waarna de builen in leren omslagen met een paardeharen voering gelegd worden. Het op deze wijze verpakte warme zaadmeel wordt daarna tweemaal geperst. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømolenŋ het lemma ɛmolenɛ.' [JG 1a; JG 1b; Vds 15; Jan 15; Coe 5; Grof 5; monogr.; N D add.]
II-3
|
| 33792 |
omhulsel van het teellid |
sluis:
slās (P174p Velm)
|
Schede van de roede. [JG, 1b; N 8, 36 en 37b]
I-9
|
| 18188 |
omslagdoek (alg.) |
neusdoek:
neuzek (P174p Velm),
nøzək (P174p Velm)
|
Doek, die om de schouders wordt geslagen (fr. châle). [ZND 05 (1924)] || schouderdoek, wollen ~ of omslagdoek, soms ook wel over het hoofd gedragen [neus-, nuisdook, nuizek, nuzzing, plak, plaggen, sjelon, falie] [N 23 (1964)]
III-1-3
|