| 24733 |
lange dunne tak |
vits:
WLD
vietch (Q208p Vijlen)
|
Een lange dunne tak (geert) [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 17610 |
lange neus |
tul:
(lang)
tul (Q208p Vijlen)
|
neus, Een lange ~ (fokker, domphoren, vonk). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 24844 |
lange, dunne tak |
dunne tak:
dunne tak (Q208p Vijlen)
|
dunne tak [DC 35 (1963)]
III-4-3
|
| 24418 |
langpootmug |
hooiwagel:
huiwagel (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen)
|
langpootmug [DC 18 (1950)]
III-4-2
|
| 25079 |
langzaam, traag |
langzaam:
landsem (Q208p Vijlen),
lansam (Q208p Vijlen),
traag:
troag (Q208p Vijlen)
|
langzaam || langzaam (lui, traag, stil, telijig) [DC 39 (1965)] || langzaam [lui, traag, stil, telijig] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 19599 |
lantaarn |
lantaarn:
lantêre (Q208p Vijlen)
|
lantaarn [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 19297 |
lastig (werken) |
lastig:
lestig (Q208p Vijlen),
schur (du.):
mar: alleen in de betekenis van narigheid, trammelant
schoer (Q208p Vijlen)
|
lastig [SGV (1914)] || niet zonder moeite of inspanning volbracht of afgedaan kunnend worden, niet gemakkelijk [difficiel, delicaat, ongemakkelijk, onklaar, zwaar moeilijk] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21812 |
lastigvallen |
hinderen:
hingerre (Q208p Vijlen)
|
iemand bij zijn werk storen of ophouden [plagen, steken, hinderen] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 17814 |
laten |
laten:
loate (Q208p Vijlen)
|
laten [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 23752 |
laten wijden |
wijden:
wieje (Q208p Vijlen),
zegenen:
zène (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen,
Q208p Vijlen,
Q208p Vijlen,
Q208p Vijlen)
|
Een akker laten (in)wijden/(in)zegenen. [N 96B (1989)] || Een huis of gebouw laten (in)wijden/(in)zegenen. [N 96B (1989)] || Een kruisbeeld, een heiligenbeeld(je), een kaars laten wijden/zegenen. [N 96B (1989)] || Een rozenkrans, een scapulier, een medaille, een kruisje laten wijden/zegenen door een priester. [N 96B (1989)] || Een voertuig (auto/wagen) laten wijden/zegenen, op of rond het feest van St. Christoffel (25 juni). [N 96B (1989)]
III-3-3
|