| 33293 |
oot, wilde haver |
wilde haver:
wel hāvǝr (Q208p Vijlen)
|
Avena fatua L. Een vrij algemeen voorkomend lastig onkruid op bouwland, in korenvelden en wegbermen, dat er haverachtig uitziet met een wijde, pluimvormige aar. Het bloeit van juni tot augustus. De lengte varieert van 60 tot 120 cm. Vergelijk lemma Evene in WLD.I, afl. 4. [A 30, 2; A 60A, 81; L 49, 2; monogr.; add. uit JG 1a, 1b]
I-5
|
| 17935 |
op de loop gaan |
op de loop gaan:
ŏŏp der leup goa-e (Q208p Vijlen)
|
op de loop gaan [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 22682 |
op de vingers fluiten |
vingers fluiten:
vingere fluite (Q208p Vijlen)
|
Op de vingers fluiten [schuffelen]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|
| 32920 |
op rijen zetten |
bijeenslaan:
bęi̯ēšlǭ (Q208p Vijlen),
kemmen:
kɛmǝ (Q208p Vijlen)
|
Het uitgespreide gras dat de eerste droging heeft ondergaan bijeenwerken tot rijen of langwerpige heuveltjes. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi of gras. Wanneer het resultaat van de handeling, i.c. de rij, in het woordtype voorkomt, wordt steeds door middel van (...) verwezen naar de woordtypen van het lemma ''rij, wiers''. Om de vergelijking te vergemakkelijken is in dit lemma dezelfde volgorde van woordtypen of afleidingen daarvan aangehouden als in het lemma ''rij, wiers''. Achter in het lemma staan dan de werkwoorden bijeen die geen formeel verband met de benamingen voor de rij hebben. De kaart bevat de denominatieven van de heteroniemen voor rij, wiers en de werkwoordelijke uitdrukkingen met die heteroniemen, ook geordend zoals in het lemma ''rij, wiers''. [N 14, 100; JG 1b, 1c, 2c; A 10, 18; L 38, 36; monogr.]
I-3
|
| 22368 |
op stelten lopen |
op stelten lopen:
ŏŏp sjtelte loope (Q208p Vijlen)
|
stelten [op ~ loopen] [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 17913 |
opbergen |
opbergen:
opberge (Q208p Vijlen)
|
opbergen [DC 38 (1964)]
III-1-2
|
| 17897 |
opeenschuiven |
schuiven:
schuive (Q208p Vijlen)
|
stroppen: Op elkaar schuiven (stroppen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21150 |
openbare weg |
steenweg:
sjtevig (Q208p Vijlen)
|
een grote, doorgaande weg, een openbare straatweg (baan, grootbaan, steenweg, kasseiweg, klinkerd, klinkweg) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 19293 |
ophitsen |
ophitsen:
ophitze (Q208p Vijlen)
|
een persoon of personen aanzetten tot ruzie [opstoken, hissen, opkitsen, oppinnen, opraden, aanlokken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19255 |
ophouden met het werk |
ophouden:
ŏŏphouwe (Q208p Vijlen),
uitscheiden:
oetschijje (Q208p Vijlen)
|
ophouden (m.h. werk) [SGV (1914)] || ophouden met werken [afscheiden, uitscheiden, ophouden] [N 85 (1981)]
III-1-4
|