| 33492 |
peer, soorten |
beurr hardy (fr.):
beur hardi (Q208p Vijlen),
bonne louise (fr.):
bon louise (Q208p Vijlen),
calebas de la reine (fr.):
kalbas de le rèèn (Q208p Vijlen),
dubbele philippe:
doebel flippe (Q208p Vijlen),
hummertje:
hummerkes (Q208p Vijlen),
kreets:
krèèze (Q208p Vijlen),
leermeie:
lèèrmeie (Q208p Vijlen),
lgipont (fr.):
legeponge (Q208p Vijlen),
peer:
pè`r (Q208p Vijlen),
pèère (pl) (Q208p Vijlen),
presentpeer:
presentpèère (Q208p Vijlen),
wijnpeer:
wienpèère (Q208p Vijlen)
|
I-7
|
| 20414 |
peetoom |
paat:
paat (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen),
patenonk:
patenoonk (Q208p Vijlen),
cf. Roukens, p. 306 "Patin-Pate"; cf. WNT s.v. "paat"gew. bijv. van "peet
patenonk (Q208p Vijlen),
peternonk:
pê-ter-nŏŏnk (Q208p Vijlen)
|
peetoom [SGV (1914)] || peetoom (de oom naar wien iemand genoemd is) [DC 05 (1937)] || peter (de man, wiens naam het kind gewoonlijk ontvangt) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 20415 |
peettante |
goden (du.):
cf. Kirchröadsjer Dieksjoneer s.v. "joan, joar"(peettante)
joo (Q208p Vijlen),
cf. VD D-N s.v. "Godel"(reg.) 0.1 peettante, meter; cf. ook VD D-N s.v. Goden"(reg.) 0.1 peettante, meter; cf. VD D-N s.v. "Godl"= Godel; vgl. ook VD D-N s.v. "Göd"(reg.) 0.1 peetoom, peter
jaor (Q208p Vijlen),
joar (Q208p Vijlen),
joo (Q208p Vijlen)
|
meter (de vrouw, die het kind ten doop houdt en wier naam het kind gewoonlijk ontvangt) [DC 05 (1937)] || peettante (de tante naar wie iemand genoemd is) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 17717 |
penis |
kleine, de -:
der klinge (Q208p Vijlen),
knuppel:
knuppel (Q208p Vijlen),
lul:
lul (Q208p Vijlen),
piemel:
piemel (Q208p Vijlen),
piemeltje:
Kindertaal.
piemeltje (Q208p Vijlen),
plassertje:
Kindertaal.
plassertje (Q208p Vijlen)
|
[N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 34103 |
pens |
pens:
panš (Q208p Vijlen),
pānš (Q208p Vijlen)
|
De eerste afdeling van de maag van de koe waarin het voedsel geweekt wordt. Een koe heeft vier magen: de pens, de netmaag, de boekpens en de lebmaag. In de "Amsterdamse" vragenlijst nr. 9 werd via de vragen 11a, 11b, 11c en 11d naar de dialectbenamingen gevraagd voor deze vier magen. Exact werd gevraagd naar de benamingen voor pens, netmaag, boekpens en lebmaag. In de "Nijmeegse" vragenlijst nr. 28 werd ook gevraagd naar de dialectbenamingen voor de vier magen. Maar hier werden de vragen wat vager gesteld. De pens wordt omschreven (vr. 80) als de "maag waarin het voedsel het eerst komt", de netmaag als de "langwerpige maag" (vr. 81), de boekpens als "de maag die van binnen vol vliezen zit" (vr. 82) en de lebmaag als "de maag met heel grove uitsteeksels aan de binnenkant" (vr. 84). Door deze vage vraagstelling sluipt onzekerheid door in de antwoorden van de "Nijmeegse" respondenten: termen worden nogal eens door elkaar gehaald voor de diverse magen. Zo goed mogelijk is in dit lemma en de volgende drie lemmata geprobeerd de juiste benaming bij het juiste begrip onder te brengen. In wbd afl. 3 (Het rund) blz. 364 wordt het vermoeden geuit dat we hier eerder met een cultuurbegrip te maken hebben dan met een onder de mensen (nog) levende werkelijkheid en dat voornoemde vierdeling ook niet meer echt levend is bij de huisslachter. Dit vermoeden zou ook op de "Limburgse" antwoorden van toepassing kunnen zijn. [N 28, 80; A 9, 11a; L 48, 15]
I-11
|
| 20842 |
peper |
peper:
peffer (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen)
|
peper [DC 03 (1934)]
III-2-3
|
| 17911 |
persen |
persen:
pêsje (Q208p Vijlen)
|
persen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 33566 |
perzik |
peets:
toonloos
pie-etsch (Q208p Vijlen)
|
perzik [SGV (1914)]
I-7
|
| 24856 |
perzikkruid |
wijdenkruid:
wieje kroet (Q208p Vijlen)
|
Perzikkruid (polygonum persicaria 20 tot 90 cm hoog. De stengels hebben een vliezig kokertje (tuitje) boven de knopen, de stengels zijn behaard en vaak roodachtig; de bladeren zijn lancetvormig en meestal met een zwarte vlek; de bloemen groeien in dicht [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 18281 |
pet: algemeen |
kap:
kap (Q208p Vijlen),
de gewone pet vorm
kap (Q208p Vijlen),
pats:
patsj (Q208p Vijlen)
|
Hoe noemt men de pet, die bij het werk gedragen wordt? Welken vorm heeft deze? Indien geen pet, maar een muts door de mannen wordt gedragen, hoe noemt men deze dan? Welken vorm heeft ze? [DC 09 (1940)] || pet [SGV (1914)]
III-1-3
|