e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Weert

Overzicht

Gevonden: 7826
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
afleggen afleggen: āflęgǝ (Weert), āflęqǝ (Weert), afrapen: āfrāpǝ (Weert) De term "afleggen" is oorspronkelijk afkomstig van het graan maaien met de zeis: de gemaaide halmen vallen dan tegen de nog staande aan en moeten eerst "afgelegd" worden (door de "aflegger"), voordat de maaier een nieuwe baan kan aanzetten. De aflegger doet dit doorgaans met de handen, soms met een sikkel of een pikhaak, en "stuikt" daarbij een hoeveelheid halmen voor een schoof tegen de grond en bindt deze dan, provisorisch, af. De aflegger gebruikt daarbij vaak overmouwen om zich tegen de stekende halmen te beschermen. Later is de term overgenomen bij het maaien met de maaimachine; daar wordt ook "afgelegd", hetzij door de voerman zelf die met een pedaal een hoeveelheid halmen afzondert, hetzij eveneens door een aparte "aflegger". Dit "alleen achter de maaimachine" wordt uitdrukkelijk vermeld in L 164, 268 en L 320a. Vandaar is het verspreidingsgebied hier groter dan het gebruik van de graanzeis in de kaart "graan maaien met de zicht en de zeis". Bij het pikken vormt de zichter zelf de schoven, of de pikkelingen, door de zojuist afgesneden halmen "af te trekken", zie de toelichting bij het lemma ''aftrekken'' (4.2.5). [N 15, 15d en16h; N J, 3b; JG 1a, 1b, 1c; monogr.] I-4
afleggen van een dode afleggen: aaflegke (Weert), wassen en doodskleed aandoen van een lijk  aaflégke (Weert), znd 32, 20;  aaflegge (Weert) afleggen || een doode lijken (vooraleer hij gekist wordt) [ZND 32 (1939)] || een lijk reinigen en met het doodsgewaad bekleden, meestal tevens van het bed afnemen [afleggen, lijken, ontwaden] [N 87 (1981)] III-2-2
afloeren, bespieden afkijken: aafkieeke (Weert), aafkieke (Weert), afloeren: aafloore (Weert, ... ), spioneren: spionniere (Weert) iets bespieden [ZND 32 (1939)] || kijken: afloeren [aafvinke] [N 10 (1961)] III-1-1
afpassen met de voet, aftreden aftreden: aaftraeje (Weert) de lengte bepalen door stappen [aftreden] [N 91 (1982)] III-4-4
afraffelen afraffelen: aafraffele (Weert) (te) snel bidden, een gebed afraffelen. [N 96B (1989)] III-3-3
afraffelen add. peddepaternoster: enne peddepaternoster baeje (Weert) (te) snel bidden, een gebed afraffelen. [N 96B (1989)] III-3-3
afranden de rand leggen: dǝ rant lęgǝ (Weert), rand opzetten: rant ǫp˲zętǝ (Weert) Het vlechten van de bovenste rand van de mand. [N 40, 67] II-12
afrastering van wei afrastering: āfrastǝreŋ (Weert) Kunstmatige omheining, doorgaans een afrastering van met draad verbonden palen. [N 14, 62; S 11; Gwn 16, 11; A 25, 8; N 11, 8 add.; monogr.] I-8
afremmen (de) vang opzetten: vaŋ ǫp˲zętǝ (Weert), stilzetten: stelzɛtǝ (Weert), vangen: vangen (Weert) De molen afremmen door middel van de vang. [N O, 13a] II-3
afrikaantje stinkerd: stînkert (Weert), stinkertje: ± Veldeke  stínkerke (Weert) Afrikaantje (tagetes patula). De bladeren zijn samengesteld en tevens ovaal. De bloemkorfjes staan op zeer verdikte stelen. Het zijn lage plantjes, welke vaak gebruikt worden voor randen en mozaïek-perken. De bloemen zijn donkergeel, meest met bruin gekle [N 92 (1982)] III-2-1