e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Weert

Overzicht

Gevonden: 7826

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
aardappelkuil, -groef kuil: kul (Weert) De plaats waar de aardappelen gedurende de winter buiten worden opgeslagen. In droge gebieden maakt men ronde opslagkuilen, wel tot twee meter diep. Waar het grondwater dicht aan de oppervlakte komt maakt men meestal langwerpige groeven; de grond wordt dan maar een decimeter weggegraven. De bodem en de wanden worden met stro bedekt; daarop worden de aardappelen uitgespreid. Op de aardappelen komt dan nog en laag stro en het geheel wordt met aarde afgedekt. Vroeger maakte men luchtgaten in de afdekkende aarde; in het uiteinde van een dergelijk luchtgat stak men een wis stro die lucht doorliet, maar ongedierte buiten hield. Tegenwoordig worden de kuilen met landbouwplastic afgedekt en houden autobanden het geheel op zijn plaats. Het regelmatig eerste element in samenstellingen met aardappel- is hier weggelaten. [N 12, 30; JG 1a, 1b; A 21, 1f; monogr.; add. uit N 5, 89; N 12, 29] I-5
aardappelloof loof: lǫuf (Weert) De bladeren van de aardappelplant. Ze worden na de oogst bijeengeharkt en verbrand; zie het lemma Aardappelloof Verbranden. Het regelmatig bepalend deel aardappel-, als eerste element in samenstellingen, is hier weggelaten. Bij het woordtype stro geeft de zegsman van L 386 op: "als het droog is". [N 12, 6; JG 1a, 1b, 2c; L 1, a-m; L 30, 34a; S 22; monogr.] I-5
aardappelmand aardappelenmand: āǝrpǝlǝmaŋ (Weert), ɛrpǝlǝmaŋ (Weert), aardappelkopje: ɛrpǝlǝkøpkǝ (Weert) Uit grauwe wissen vervaardigde mand met twee oren, waarin aardappels bewaard of vervoerd worden. Zie ook het lemma ɛaardappelmandɛ in wld I.5, pag. 41. Het materiaal dat in dit lemma is opgenomen, vormt een aanvulling daarop.' [N 40, 38; N 40, 94; N 40, 95; N 40, 96; N 40, 97; N 40, 110; N 40, 111; N 20, 48 add.; monogr.] II-12
aardappelmandje aardappelenmandje: ę̄rpǝlǝmɛntjǝ (Weert) Produkt van spiraalvlechtwerk, gemaakt van stro of buntgras, voor het bewaren van aardappels en de schillen ervan na het schillen. Naast dit produkt kent men velerlei produkten van spiraalvlechtwerk bestemd voor huishoudelijk gebruik of het boerenwerk. De toepasbaarheid van stro en buntgras als vlechtgrondstof is uitermate groot. [N 40, 140; N 40, 141; N 40, 142] II-6
aardappelmolen aardappelmolen: ęrpǝlmø̄lǝ (Weert), varkensmachine: vɛrkǝsmǝšin (Weert), varkensmolen: vɛrkǝsmø̄lǝ (Weert) De aardappelmolen is het werktuig waarmee men de gekookte aardappelen tot puree maalt. [N 18, 134; monogr.] I-11
aardappelpannenkoek aardappelenkoekje: aerpelekukske (Weert) aardappelkoekje III-2-3
aardappelpuree aardappelenpotage: aerpelepetaazie (Weert) aardappelpuree III-2-3
aardappelriek, algemeen aardappel(en)riek: ɛrpǝlrēk (Weert), ɛrǝpǝlǝrēk (Weert) Riek met bolletjes ("kogeltjes") aan de uiteinden van de tanden, om aardappelen mee te verplaatsen, maar ook wel gebruikt om te rooien. Doorgaans heeft de aardappelriek negen tanden, de bietenriek zes, die wat verder uit elkaar staan, en de speciale riek om te rooien vier of vijf. Soms zijn de tanden van de laatste plat (en dan lijkt deze sterk op de Voerriek), terwijl die van de algemeen gebruikte riek rond zijn. Vergelijk ook het lemma Mestriek in aflevering I,1, blz. 8-10 en het lemma Bietenrek in deze aflevering. [N 18, 25a, 25b en 58; JG 1c, 2c; A 28, 3a; Lu 6, 3a; monogr.] I-5
aardappels schillen jassen: Verg. bargoens  jasse (Weert), schillen: derepuls schèlle (Weert), aerpel schélle  schélle (Weert) aardappelen schillen || aardappels schillen [DC 23 (1953)] || schillen III-2-3
aardappelstruik bos: bǫs (Weert), struik: struǝk (Weert) Het geheel van de aardappelplant of aardappelbos: wortels, stengels. bladeren en bloemen. In het lemma en op de kaart is aangetekend waar zich de opvallende monoftong /u/ bevindt in struik, terwijl men een diftong of palatalisering zou verwachten; zie Stevens 1951, 249. Voor de fonetische documentatie van de typen aardappel en patat, zie het lemma Aardappel. [N 12, 5; JG 1a, 1b; A 23, 17c; Lu 1, 17c; monogr.] I-5