e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Weert

Overzicht

Gevonden: 7826

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
(met) stevige benen stevige benen: mit stevige bein (Weert), stevige poten: stie.vige puuj (Weert), stevige stampers: stievige stampers (Weert) benen: met stevige benen [hij is gestapeleerd] [N 10 (1961)] III-1-1
(persoon met) bleek, flets gezicht sneeuwschijter: wit as unne snie‧jschie‧ter (Weert) bleek (hij ziet er bleek uit) [N 37 (1971)] III-1-2
(zich) bukken (zich) bukken: boeke (Weert), bokke (Weert), bukke (Weert), bôkke (Weert), zich bôkke (Weert) bukken, zich bukken [bukke, bokke] [N 10 (1961)] III-1-2
-> [wld iii 2.2] - wld iii, 2.2 !: braslepke (Weert), doupkledje (Weert, ... ), doupklèdje (Weert), doupmuts (Weert), doupmötske (Weert), duipdook (Weert), duipkleid (Weert), duipmötske (Weert), duupdook (Weert), luier (Weert, ... ), navelbandje (Weert), navelbendje (Weert, ... ), pisdook (Weert, ... ), rouwmöts (Weert, ... ), slabbertje (Weert, ... ), sluier (Weert), sluijers (Weert), windjel (Weert), zeiverlepke (Weert) dekentje waaronder de dopeling naar de kerk wordt gedragen [N 25 (1964)] || doek, witte ~ die men het kind als een schortje voor de borst speldt [speet, spit] [N 25 (1964)] || doopjurkje [deumhemke] [N 25 (1964)] || doopmutsje [N 25 (1964)] || luier [winjel, luur, kindsdoek, psidoek, huik] [N 25 (1964)] || muts met poffer, minder kostbaar of minder uitgedost dan de grote witte muts, die bij rouwgelegenheden wordt gedragen [rouwpoffer] [N 25 (1964)] || navelbandje [nagelbendje] [N 25 (1964)] || rouwsluiter(s) aan een hoed [N 25 (1964)] || slabje, morsdoekje voor kinderen [slabbertje, slabberlepke, zeiverlepke, slepke, bavet(sje) [N 25 (1964)] III-1-3
<naam> <naam>: naamfieest (Weert), naamsdaag (Weert), bange, een ~: de bange (Weert), bonte, een ~: de bo‧nt (Weert), corbul: [eig. Spaans voor raaf, vgl. Fr. corbeau]  Corbu‧l (Weert), diepe, een ~: de deepe (Weert), goede, een ~: de gooje (Weert), ivan de verschrikkelijke: Iwan de Verschrikkelijke (Weert), kilo: de kilo (Weert), meek: bij centje steken  meek (Weert), nul-vijf: de 05 (Weert), patroon: petroeen veere (Weert), ziene pətroen viere (Weert), patroon vieren: petroeen veere (Weert), ziene pətroen viere (Weert), patroondag: petroeendaag (Weert), veel: veel (Weert, ... ), warse: de Werse (Weert), weinig: weinig (Weert), {ja}: ja (Weert, ... ), {nee}: neen (Weert, ... ) De voornaamste plaats in bepaalde spelen [heek]. [N 88 (1982)] || Een naamfeest, naamdag [vernamsdaag, nametsdaag]. [N 96C (1989)] || Elke duif heeft bij de duivesporter in de regel een naam. Indien U hiervoor benamingen kent, die: afgeleid zijn van het ringnummer, geef hiervan dan een/enkele voorbeeld(en)? [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)] || Elke duif heeft bij de duivesporter in de regel een naam. Indien U hiervoor benamingen kent, die: afgeleid zijn van het ringnummer, wat is dan de frekwentie? [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)] || Elke duif heeft bij de duivesporter in de regel een naam. Kent U hiervoor benamingen die: afgeleid zijn van het ringnummer: ja of nee? [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)], [N 93 (1983)] || Feest vieren op de dag gewijd aan de heilige wiens naam men draagt [besteken]. [N 88 (1982)] || Hoe heet: het naamfeest van iemand vieren? [ZND 32 (1939)], [ZND 32 (1939)] III-3-2
[falie] falie: falie (Weert, ... ), Vgl. Fr. faille.  faalie (Weert), voile (fr.): voeël (Weert) falie [SGV (1914)] || hoofddoek van zwarte stof van 2m. lang en 1m. breed met aan de smalle einden franjes. De doek werd over het hoofd gedragen bij rouw en begrafenis en reikte wel tot op de voeten. || sluierdoek, zwarte ~ die over hoofd en schouders wordt gedragen, gewoonlijk in de rouwtijd [vaol, voeël, falje, falie, slöjer, linao] [N 23 (1964)] III-1-3
[jasje] jasje: jeske (Weert) Hoe noemt men het kledingstuk van geheel of gedeeltelijk wollen stof, dat bij kouder weer en in de winter over de, in vraag 5 en 6 genoemde kledingsstukken in het werk wordt gedragen? Het heeft meestal een kraagje en revers (opgeslagen). Het zou in het Ne [DC 14A (1946)] III-1-3
[kazak] kazak: wijde winterjas  kezak (Weert) kazak; inventarisatie betekenis/uitspraak [N 23 (1964)] III-1-3
[kazavek?] kazavekje: vestje  kasjeveikske (Weert) kasjevék, in de betekenis van vrouwenmantel; betekenis/uitspraak [N 23 (1964)] III-1-3
[lijfje] lijfje: betekenis: gebreide borstrok  liefke (Weert), betekenis: katoenen overrok met kant  liefke (Weert) lijfje, in de betekenis van soort kledingstuk; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] III-1-3