e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L313p plaats=Sint-Huibrechts-Lille

Overzicht

Gevonden: 1801
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zondagschender houdt zijn zondag niet: houdt zene zonnig nie (Sint-Huibrechts-Lille) Iemand die zich niet houdt aan de zondagsrust (zondagschender). [N 96D (1989)] III-3-3
zonde zonde: zonde (Sint-Huibrechts-Lille) Een zonde [zund, zung]. [N 96D (1989)] III-3-3
zuinig krier: [sic, RK]  krīr (Sint-Huibrechts-Lille), spaarzaam: hēĭ es zuĕ spōrzəm (Sint-Huibrechts-Lille), hij is zoe spôârzam (Sint-Huibrechts-Lille), spoͅrzām (Sint-Huibrechts-Lille) Hij is zo spaarzaam (nauwziend, hij houdt het bijeen, en andere uidrukkingen met dezelfde betekenis). [ZND 07 (1924)] III-3-1
zure oprisping zuur: zoer (Sint-Huibrechts-Lille) Hoe noemt u het zure deel van het maagsap, dat wel eens naar boven komt? [DC 47 (1972)] III-1-2
zuring, groente zulker: zø.ləkər (Sint-Huibrechts-Lille), zurkel: zurkel (Sint-Huibrechts-Lille), zø.rəkəl (Sint-Huibrechts-Lille) Zuring, zurkel als groente gekweekt [Goossens 1b (1960)], [Goossens 2b (1963)] I-7
zuster non: non (Sint-Huibrechts-Lille), zuster: zuster (Sint-Huibrechts-Lille, ... ), zustər (Sint-Huibrechts-Lille), zŭŭstər (Sint-Huibrechts-Lille) Een lid van een vrouwelijke geestelijke orde, zuster, non [zuster, non, maseur, begijn]. [N 96D (1989)] || zuster [ZND 04 (1924)] III-2-2, III-3-3
zuurdesem desem: dīəssm (Sint-Huibrechts-Lille), hevel: hēvəl (Sint-Huibrechts-Lille), hévəl (Sint-Huibrechts-Lille) zuurdesem: een beetje deeg overgehouden van de vorige maal (Fr. levain) [ZND 02 (1923)] III-2-3
zuurkool zuurkool: zy(3)̄rkōl (Sint-Huibrechts-Lille), zy(3)̄rkūel (Sint-Huibrechts-Lille), zuurmoes: zūrmus (Sint-Huibrechts-Lille) ingemaakte witte kool [Goossens 2c (1963)] || zuurkool [ZND 08 (1925)] III-2-3
zwaaien met het wierookvat met de wierookspot zwaaien: met de wieroekspot zweje (Sint-Huibrechts-Lille) (met) het wierookvat zwaaien. [N 96B (1989)] III-3-3
zwager schoonbroer: schòbrūūr (Sint-Huibrechts-Lille, ... ), zwager: zwògər (Sint-Huibrechts-Lille, ... ) schoonbroeder [ZND 06 (1924)] || schoonbroer/-broeder [ZND 11 (1925)] III-2-2