e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
het voorrijzen in de trog aangaan: āngǭ (Nuth), aankomen: ākōǝmǝ (Wittem), aanrijzen: ānrīzǝ (Venlo), aanzet: ǭnzęt (Maastricht), aanzetten: ānzetǝ (Herten), ānzętǝ (Helden, ... ), beslaan: bǝsløn (Koersel), bǝslōwn (Melveren), beslag: beslag (Bevingen, ... ), eerste rijs: īrstǝ rejs (Oost-Maarland), īrstǝ ris (Bocholt), īǝrstǝ rīs (Heythuysen), ene keer laten opgaan: ēnǝ kęr lǫtǝ ǫpgǫn (Bilzen), eventjes laten rusten: ɛfkǝs lǭtǝ rø̜stǝ (Melick), gaan: (het deeg) gęjt (Susteren), gø̜nǝ (Stein), gōn (Ubachsberg), (Meijel), gǭn (Houthalen, ... ), gǭǝ (Eys, ... ), gaan laten: gǫn Iǫwtǝ (Rumpen), gǭ lǭtǝ (Heerlen), joa losǝ (Kerkrade), gaan te bakken zetten: gun tǝ bakǝ zetǝ (Gronsveld), geren: gērǝ (Waubach), gisten: gęstǝ (Hout-Blerick, ... ), laten gaan: lǭtǝ gǭn (Geleen), lǭǝtǝ gūǝn (Eijsden), lǭʔǝ gǭn (Kwaadmechelen), laten opgaan: lǭtǝ opgǭn (Beek), liggen laten: legǝ lǭǝtǝn (Maastricht), opgaan: opgǫn (Lanaye), opgǭn (Geulle), ǫpxǫn (Zepperen), rijpen: rīpǝ (Wolder / Oud-Vroenhoven / Wiler), rijstijd: rējstējt (Lommel), rīstīt (Cadier, ... ), rijzen: (het deeg) ręjst (Genk), riǝzǝ (Brunssum), rējǝzǝn (Munsterbilzen), rēžǝ (Meijel), rīsǝ (Posterholt), rīzǝ (Leuken, ... ), rusten: rø̜stǝ (Swalmen), te bakken zetten: tǝ bakǝ zɛtǝ (Oirsbeek, ... ), trogrijs: trǫxrīs (Ottersum), uitrusten: ūtrøstǝ (Gulpen), voordeeg: vørdejǝx (Lommel), voorgang: vȳrjaŋk (Kerkrade), voorrijs: vȳrrēs (Brunssum, ... ), vȳrręjs (Maaseik), vø̄rręjs (Ulestraten), vø̄rrīs (Arcen, ... ), vø̄rrīz (Neerpelt), voorrijzen: vørręjzǝ (Mal), vø̄.rrīzǝ (Panningen), vø̄rrīzǝ (Blerick, ... ), zuren: zō.rǝ (Panningen), zūrǝ (Waubach) Volgens de informant van P 56 worden de grondstoffen in de trog of de machine gebracht. Eerst de bloem (¬± 50 kg). De gist (¬± 1 kg) wordt opgelost in water. Dit mengsel wordt op de bloem gegoten, waarin eerst een soort trechter is gemaakt. Dit alles laat de bakker ongeveer 15 minuten staan. Dit is dan wel het voorrijzen in de trog. [N 29, 24b; N 29, 24a] II-1