e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
goed gesteld zijn bijten van de zaag:   (de zaag) ęs ˲gōt ˲gǝstɛlt (Bilzen) II-12
goed gestompeld (met) stevige benen:   good gestumpeljd (Neeritter), goot gesjtempeld (Mechelen), goət gəstømpəlt (Maaseik) III-1-1
goed get aan de voeten hebben rijk zijn: ps. stoottoon!  good get aan-e-v‧eut hebbe (Panningen) III-3-1
goed get op de ribben hebben rijk zijn: ps. letterlijk overgenomen.  good get op-e-rubben hebbe (Panningen) III-3-1
goed get opbrengen wbd: in trek:   brink goud get op (Sittard) III-3-1
goed geven meer melk gaan geven:   (de koe) geft gut (Kermt), (de koe) gɛft gǫwt (Paal) I-11
goed gevuld deeg klaar om gebakken te worden:   gu gǝvølt dējǝx (Neerpelt) II-1
goed gewaagd eerder te weinig dan te veel gemeten:   goed gewiech (Sint-Lambrechts-Herk) III-3-1
goed gewogen eerder te weinig dan te veel gemeten:   da es goed gewoəgə (Hoepertingen), goet gewuge (Sint-Truiden) III-3-1
goed gezet zwaar van bouw:   good gezàttə (As) III-3-2