e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q101a plaats=Sibbe/IJzeren

Overzicht

Gevonden: 248

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
knotten van wilgen snoeien: šnoeiə (Sibbe/IJzeren) het knotten van wilgen, d.w.z. een wilg zodanig snoeien dat er een knotwilg ontstaat [DC 13 (1945)] III-4-3
koolmees, mees bijzemeesje: bie(ze)meiske (Sibbe/IJzeren) Hoe heet de koolmees? [DC 06 (1938)] III-4-1
koper poetsen poetsen: pūtsə (Sibbe/IJzeren) metaal met behulp van vloeibare of zachte poetsmiddelen vlekvrij en glanzend maken [DC 15 (1947)] III-2-1
korenbloem blauwbloem: -  blaublo:m (Sibbe/IJzeren) korenbloem [DC 13 (1945)] III-4-3
kous: algemeen hoos: Di: hoas is tə kort in ət bein (Sibbe/IJzeren), hoas (Sibbe/IJzeren) Die kous is helemaal recht, er zitten geen minderingen in het been. [DC 14A (1946)] || Hoe noemt men de kous (de lange beenbedekking van den mensch)? [DC 09 (1940)] III-1-3
krekel krekel: krekel (Sibbe/IJzeren) krekel [DC 07 (1939)] III-4-2
kreupel kreupel: krəpəl (Sibbe/IJzeren) Kreupel - Kent men in uw dialect het volgende woord in dezelfde of een min of meer afwijkende vorm, zoals b.v. krepel naast kreupel. [DC 17 (1949)] III-1-2
kruisbes kroezel: (o: is hier eigenlijk n oa, als in boa)  kro:s6l6* (Sibbe/IJzeren) [DC 13 (1945)] I-7
kuiltje (in de kin / wangen) kuiltje: kuulke (Sibbe/IJzeren) Een dergelijk deukje in de kin? [DC 21 (1952)] III-1-1
kuit kuit: ky:t (Sibbe/IJzeren) kuit (wade) [DC 01 (1931)] III-1-1