e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Bocholt

Overzicht

Gevonden: 5095
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
avondwake bedens: bèijes (Bocholt) De dienst gehouden op de avond voorafgaand aan de begrafenis. [N 96D (1989)] III-3-3
azijn azijn: azien (Bocholt, ... ), zie èèk  ezi-jn (Bocholt), edik: èk (Bocholt), De verkorte vorm van edik Dèèn appel is zuu zoor es (of wi-j) èèk  èèk (Bocholt) azijn || Azijn (kent u hier andere woorden voor). [ZND 42 (1943)] III-2-3
baai baai: bāj (Bocholt) Dik en grof wollen weefsel, op molton gelijkend flanel, meestal donkerrood, ook wel bruin, geel of blauw van kleur, waarvan onderkleren, vrouwenrokken, hemden voor zeelieden en boeren worden gemaakt (Van Dale, pag. 229). [N 62, 91; Gi 1.IV, 54; MW] II-7
baaien onderrok baaien rok: baiəroͅk (Bocholt) onderrok, dikke baaien ~ [N 24 (1964)] III-1-3
baalschort matscholk: matšoͅlek (Bocholt) voorschoot van jute of grof linnen of een als schort gebruikte baalzak [slobbert, baolscholk, baalslop, pleggert, plekker] [N 24 (1964)] III-1-3
baantje glijden op het ijs sleuren: sleure (Bocholt), sleuren (Bocholt), slibberen: slibb`re (Bocholt) Glijden. || Hoe noemt men: op het ijs glijden (zonder schaatsen). [ZND 14 (1926)] III-3-2
baard baard: bārt (Bocholt), vinnen: venǝ (Bocholt), vlimmen: vlemǝ (Bocholt), vlømǝ (Bocholt) baard [N 10b (1961)] || De scherpe uitsteeksels van de aar bij sommige graangewassen: kafnaalden. Het type baard is een verzamelnaam; het type vlimmen is het meervoud van vlim dat eigenlijk de afzonderlijke kafnaald aanduidt die aan het omhulsel van de korrel vastzit. Wanneer het type vlimmen als dubbelopgave naast baard voorkomt (dat is het geval in L 286, 312 en 313), dan is de betekenis van vlimmen: het omhulsel waarin de korrel zit. Vergelijk ook de lemma''s ''graanafval'' (6.1.30) en ''spikken'' (6.1.31). Zie afbeelding 2, f. [JG 1a, 1b, 1c, 1d, 2c; A 25, 11; NE 2.I, 51; monogr.; add. uit N 14, 131] I-4, III-1-1
baarmoeder baarmoeder: baarmōder (Bocholt) baarmoeder [N 10c (1995)] III-1-1
baarmoeder van de kip eierstok: ęi̯ǝrstǫk (Bocholt) Het geheel der geslachtsorganen van een kip. [N 19, 57] I-12
baarmoeder van de koe draagmoer: draxmōr (Bocholt) [N 3A, 48; A 48A, 47a] I-11