| 29627 |
houweel |
hak:
hak (L282p Achel)
|
Houweel of hak die vroeger gebruikt werd om de wielen van de kar of wagen vrij te maken als die vastgelopen was op slechte wegen. Deze hak werd ook gebruikt als steun voor de kar of wagen tot de wegen beter werden en de hak als steun vervangen werd door de zware karsteun. [N 17, 83; JG 1d; monogr.]
I-13
|
| 18962 |
huichelaar |
fijnerik:
fienerik (L282p Achel),
schijnheilige:
d’es ne schienheilige (L282p Achel),
schienheilige (L282p Achel)
|
huichelaar (schijnheilige, enz.) [ZND 24 (1937)]
III-1-4
|
| 17565 |
huid |
vel:
vēͅl (L282p Achel),
veͅl (L282p Achel)
|
huid, vel [N 10b (1961)]
III-1-1
|
| 18049 |
huidschilfers |
schilfers:
sxelvərs (L282p Achel)
|
schilfers op de huid [blusters] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 18044 |
huiduitslag |
uitslag:
oewtslaag (L282p Achel),
uitslag (L282p Achel)
|
Huiduitslag: plaatselijke verandering van de huid in de vorm van vlekken, pukkeltjes, etc. (uitslag, pukkels, broebels). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 34618 |
huif van de huifkar |
huif:
huf (L282p Achel)
|
Kap van de huifkar. Deze kap wordt over hoepels getrokken, die vooraf op een hooikar gezet worden. [N 17, 10b; S 15; Wi 17; L 27, 32; L 1a-m; monogr]
I-13
|
| 17689 |
huig |
lel:
lel (L282p Achel)
|
Huig: het kegelvormig uitsteeksel van het weke gehemelte aan de ingang van de keel; het lelletje in de keel (huig, huik, lel(ke), ziel). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 18876 |
huilen |
beuken:
beuken (L282p Achel),
blten:
blèten (L282p Achel),
kweken:
kwèken (L282p Achel)
|
huilen (van kinderen) || wenen || wenen, huilen
III-1-4
|
| 19097 |
huilen (van droefheid) |
schreeuwen:
schrewde (L282p Achel)
|
Hij huilde (weende, schreide) van droefheid [ZND 44 (1946)]
III-1-4
|
| 33642 |
huisakker |
geleg:
gǝlex (L282p Achel)
|
Aan het erf grenzende akkergrond. [N 5AøIIŋ, 76d en 76e; N 6, 33a; A 10, 3 en 4; JG 1b, add.; L 19b, 1a; monogr.]
I-8
|