34551 |
jonge gans |
gansje:
gaskǝ (Q071p Diepenbeek),
ganzenkuiken:
gā.zǝkø̜̄kǝ (Q071p Diepenbeek),
jonge gans:
juŋ gās (Q071p Diepenbeek)
|
De benamingen in dit lemma duiden in het algemeen op een jonge gans. In vraag A 6, 5c werd gevraagd naar de dialectbenamingen voor "pasgeboren ganzen". De antwoorden zijn ook in dit lemma opgenomen. Hierdoor komen er onder andere (-)kuiken-opgaven voor. [L 34, 15; JG 1a; A 6, 5c; A 2, 42; monogr.]
I-12
|
34448 |
jonge geit |
geitje:
gē̜.tšǝ (Q071p Diepenbeek),
klein geitje:
klęi̯ gē.tšǝ (Q071p Diepenbeek)
|
[N 19, 71a; N 77, 75; A 9, 21; JG 1a; monogr.]
I-12
|
34481 |
jonge kip |
pul:
pø̜l (Q071p Diepenbeek)
|
Bedoeld wordt de jonge kip die bijna aan de leg is of net legt. [N 19, 40d; R 14, 23b; R 3, 39; A6, 1b; JG 1a, 1b; L 1a-m; Gwn; Vld.; S 27, add.; monogr.]
I-12
|
23569 |
jonge koorzanger |
zangertje:
zèngerke (Q071p Diepenbeek)
|
Een jeugdige koorzanger, zangertje, koraaltje. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
20159 |
jongen |
jong:
jong (Q071p Diepenbeek, ...
Q071p Diepenbeek),
jongetje:
jüngske (Q071p Diepenbeek)
|
jongen (knaap) [ZND 01 (1922)] || jongen; een lamme - [ZND 29 (1938)] || jongetje
III-2-2
|
20365 |
jongen met wie een meisje verkering heeft |
caressant:
kersaant (Q071p Diepenbeek)
|
de jongen met wie men verkering heeft [caprice, flip, vrijer] [N 115 (2003)]
III-2-2
|
34455 |
jongen ter wereld brengen |
lammen:
lamǝ (Q071p Diepenbeek)
|
[N 77, 94]
I-12
|
20334 |
jongste kind |
ponnetje:
poeneke (Q071p Diepenbeek)
|
jongste kind; hoe heet het jongste kind van het gezin? [ZND 36 (1941)]
III-2-2
|
21335 |
jood |
jood:
eͅnə jut, twi judən (Q071p Diepenbeek, ...
Q071p Diepenbeek),
ne jud, twie juden (Q071p Diepenbeek, ...
Q071p Diepenbeek)
|
Een jood, twee joden, [ZND 27 1938)] || Een jood, twee joden. [ZND 27 1938)]
III-3-1, III-3-3
|
23211 |
judas |
judas:
eͅnə žydas (Q071p Diepenbeek),
nĕ judas (Q071p Diepenbeek)
|
Een Judas (uitspraak van j als in ja? of zj als in Frans Jean?). [ZND 27 (1938)]
III-3-3
|