e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Ellikom

Overzicht

Gevonden: 1613

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
bedrieger leugenaar: liêgenèèr, gebakke pèèr, mörgen is het ònwèèr  liêgenèèr (Ellikom), liegebeest: liêgebiêst (Ellikom) leugenaar III-1-4
bedroefd droevig: Waat ki-jkt det vruimes alti-jd zuu drevig Joa; det waas uich e drevig geval ¯t s toch drevig det ze doa niks tiêge könne doon Soms zelfst. geb. voor iemand die zelden of nooit lacht: Dèèn Drevige lacht nog neet este hem möt eine krevelstein in zi-jne nek krevels  drevig (Ellikom) droevig III-1-4
beemd beemd: bamt (Ellikom) Het begrip beemd is, getuige ook de bronnenopgave bij dit lemma, vaak afgevraagd. Op grond van de informatie die de informanten bij hun antwoord gaven, springen er twee betekenissen uit van beemd. De eerste is ø̄lager gelegen, vochtig weilandø̄ en de tweede is ø̄hooiweide of hooilandø̄. Een aantal informanten vermeldt erbij dat beemd weiland is aan de Maas of aan een beek. Enkele andere bijvoegingen zijn: ø̄slechte wei met veel onkruidø̄, ø̄grasland zonder omheiningø̄, ø̄weiland met enkele bomenø̄, ø̄stuk zure grondø̄. De lage ligging wordt nogal eens als een slechte eigenschap, als minderwaardig, gewaardeerd. Sommige informanten geven aan dat een beemd iets anders is dan een broek. Mede door de diverse bijvoegingen bij de antwoorden zijn de beemd-opgaven daarom niet verwerkt in lemma 1.3.2 ɛlaaggelegen weidegrondɛ, waarin de broek-opgaven domineren. Binnen de woordtypen beemd en band/bend is niet altijd met zekerheid te zeggen of ze enkel- of meervoud zijn. Waar dit met zekerheid te zeggen is, is dit aangegeven.' [N 14, 53; N 14, 52; N 14, 50a; N 14, 50b; N 6, 33b; N P, 5; JG 1a, 1b, 1c; L 19b, 2aI; L 1a-m; L 4, 40; A 10, 4; S 2, 5, 43; Wi 6; RND 20; Vld.; monogr.] I-8
been been: bejn (Ellikom) been [ZND m] III-1-1
beervoetigheid (het heeft/staat) bereklauw: b˙ē̜rǝklau̯ (Ellikom) Beervoetige stand, een afwijking, waarbij de kootas naar voren is gebroken door het achterwaarts doorzakken van de koot, zodat de vetlok met de bodem in aanraking komt. [JG 1a, 1b; N 8, 93b] I-9
beetje, een weinig beetje: èè bitsje (Ellikom), get: get (Ellikom), hoop: LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees).  einen huip (Ellikom), ietje: (soms, vertederend).  etekes (Ellikom), iets: eet(s) (Ellikom), ietsje: Syn.: eet of wat.  eetskes (Ellikom), klatsje: (is verkleinwoord van klats of klatz).  kletske (Ellikom), klitsklatsje: (bijv. van drank).  klitskletske(s) (Ellikom), klocht: (deze benaming gebruikt men voor vee of vogels).  klocht (Ellikom), kudde: bijv. köd stuiw. (deze benaming gebruikt men voor vee of vogels).  köd (Ellikom), snifje: èè snifke (Ellikom), tikje: LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees).  èè tikske (Ellikom), trobbel: (tribbelke).  tròbbel (Ellikom), troep: tròp (Ellikom), wat, een -: LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees).  wat (Ellikom) beetje, een weinig || geringe hoeveelheid III-4-4
beginvoren in het midden rug: ręq (Ellikom) Bedoeld worden de eerste (2, 4 of 6) voren die men midden op de akker of op een pand tegen elkaar aan slaat, als deze bijeengeploegd moet worden. Men kan deze voren, vooral als het laaggelegen of natte grond betreft, bewust wat hoger opploegen, om een rond akker- of pandoppervlak te krijgen. [N 11, 60; N 11A, 119c; JG 1a + 1b] I-1
beide beenderen van de onderkaak scharen: šīǝrǝ (Ellikom) De scha(a)r(en) of het geschaar vormen de beide takken van de onderkaak van een paard en de uitwendige holte in het achterste gedeelte daarvan. Zie afbeelding 2.11. [JG 1a, 1b; N 8, 30] I-9
bek muil: mul (Ellikom), mûl (Ellikom) muil [ZND 01 (1922)] III-4-2
bekeuren pakken: gepakt (Ellikom) beboeten [ZND 36 (1941)] III-3-1