| 22496 |
meetje steken |
steken:
sjtikke (L429p Guttecoven)
|
Het spel waarbij men centen werpt in een bepaald vak [meetje steken, mitjezzen, flikken]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21882 |
meevaller |
mazzel:
mazzél (L429p Guttecoven)
|
een voordeel dat bij toeval verkregen wordt [trek, roef, roefel, brentje, hasard, bijval] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 22452 |
meiboom |
mei:
męjǝ (L429p Guttecoven)
|
Versierde tak, kleine boom of vlag die op de nok van een onderdak gebracht huis wordt geplaatst. [N 88, 183; monogr.]
II-9
|
| 33337 |
meid, dienstmeid |
maagd:
māt (L429p Guttecoven)
|
Meid is een noordelijke vorm, een samentrekking uit maged, maagd. Kok en keukense slaan op de keukenmeid. Dienstbode is een expansie uit de (Noord-)Nederlandse standaardtaal. [L 1, a-m; L 1u, 156; L 38, 10; RND 118; R 12, 30; S 6 en 23; Wi 6; monogr.]
I-6
|
| 24582 |
meidoorn |
doorn:
doare (L429p Guttecoven)
|
haagdoorn [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 24331 |
meikever |
kever:
kêver (L429p Guttecoven),
meikever:
meikèver (L429p Guttecoven),
WLD
meikaevər (L429p Guttecoven)
|
Hoe noemt u de meikever: een soort kever, 24-30mm lang; met dekschild, de poten en sprieten zijn bruinrood, de kop en het borststuk zwart met op de onderzijde een dichte witte beharing; de buiksegmenten zijn zwart met aan elke zijde een opvallende, helwit [N 83 (1981)] || meikever [SGV (1914)] || meikever, algemeen [DC 18 (1950)]
III-4-2
|
| 20309 |
meisje |
meidje:
mèdje (L429p Guttecoven),
mêdje (L429p Guttecoven)
|
meisje [SGV (1914)] || meisje; (Zijn er verschillende namen voor kinderen van verschillende leeftijden?) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 20366 |
meisje met wie een jongen verkering heeft |
liefste:
leeste (L429p Guttecoven),
meidje:
maedjə (L429p Guttecoven),
mèdje (L429p Guttecoven)
|
het meisje met wie men verkering heeft [parmeteit, meid, fem, frul, caprice] [N 87 (1981)] || Hoe noemt men het meisje met wie men verkeering heeft? (Hoe noemt men haar, wanneer men met haar verloofd is?) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 20381 |
meisje met wie men verloofd is |
aanstaande:
aa(n)staonde (L429p Guttecoven),
vrijster:
vriestər (L429p Guttecoven)
|
Hoe noemt men haar, wanneer men met haar verloofd is? (Hoe noemt men het meisje met wie men verkeering heeft?) [DC 05 (1937)] || verloofde [vrouwelijk] [fem, frul, caprice] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 34454 |
mekkeren |
mekkeren:
mɛkǝrǝ (L429p Guttecoven)
|
Geluid voortbrengen, gezegd van de geit. [N 19, 76b; monogr.]
I-12
|