e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=P188p plaats=Hoepertingen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
vreemde (man) vreemde mens: ne vrəmde mins (Hoepertingen), vreemde, een ~: vreumde (Hoepertingen) Een vreemde man. [ZND 08 (1925)] || Noem het (dialect)woord voor: iemand uit den vreemde? [vreemdeling] [N 102 (1998)] III-3-1
vriend kameraad: kaməro.ət (Hoepertingen), kaməroͅət (Hoepertingen) vriend [RND] || vriend(in) [RND] III-3-1
vriesweer gevroor: gevryjər (Hoepertingen), vriesweer: vriswiər (Hoepertingen) vorst (vriesweer) [ZND 08 (1925)] || vriezend weer, koud en droog [N 22 (1963)] III-4-4
vriezenx bakken: het zal vannacht bakken  ⁄t sal tə nax bakə (Hoepertingen) vriezen [bieberen, bikken] [N 22 (1963)] III-4-4
vroedvrouw wijzevrouw: wéjzəvròw (Hoepertingen) vroedvrouw [ZND 08 (1925)] III-2-2
vroegmis eerste mis: də justə mi.is (Hoepertingen), joste mès (Hoepertingen), vroege mis: de vrugge meis (Hoepertingen), vrygəmi.is (Hoepertingen) De vroegmis [vreugmès, vreumes, vroemes?]. [N 96B (1989)] || Hoe heet de vroegste mis op zondag? [ZND 38 (1942)] || vroegmis [RND] III-3-3
vrouw vrouw: dej vro[u} (Hoepertingen), vrouw (Hoepertingen), vrōͅw (Hoepertingen, ... ), vruw (Hoepertingen) die vrouw [ZND A2 (1940sq)] || vrouw [RND], [ZND 04 (1924)], [ZND 11 (1925)] III-3-1
vrouwelijk kalf vaarzenkalf: vi̯āzǝ[kalf] (Hoepertingen) [N 3A, 20; N C, 7b; JG 1a, 1b; A 9, 17b; Gwn V, 5b; monogr.] I-11
vrouwelijk kuiken pul: pøl (Hoepertingen) [N 19, 41a; monogr.] I-12
vrouwelijk lam ooitje: ōi̯kǝ (Hoepertingen), outje: au̯kǝ (Hoepertingen) [L 34, 34; L 20, 22c; A 4, 22c; A 2, 45; R 3, 36; N 70, 3; N 19, Q 111 add.; AGV m 3; monogr.] I-12