28912 |
treeft |
rooster:
rēstǝr (L364p Meeuwen)
|
Rooster om een heet ijzer op te zetten. De informant van Q 83 gebruikt als onderzetter meestal een (schoen)zool. Zie afb. 18. [N 59, 22]
II-7
|
21161 |
trein |
trein:
ps. omgespeld volgens RND!
trēͅi̯n (L364p Meeuwen)
|
een reeks spoorwagens die door een locomotief tegelijk worden voortgetrokken [trein, vapeur, avapeur] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
19292 |
treiteren |
jensen:
jènsə (L364p Meeuwen),
den hiêlen daag zoate ze òs te jennen tot vèè het oppen door kòtsmeeg woare
jense (L364p Meeuwen),
koeioneren:
koejenèren (L364p Meeuwen),
kŏĕjjənéérə (L364p Meeuwen),
pesten:
pèstə (L364p Meeuwen),
plagen:
plaogə (L364p Meeuwen),
plougen (L364p Meeuwen),
plōͅgə (L364p Meeuwen),
tempteren:
temtére (L364p Meeuwen),
Ze zaat mich mè den hiêlen daag te tamptère viêr toch mè möt te moage goan Fr. tourmenter
tamptère (L364p Meeuwen),
tergen:
iemand tergen (L364p Meeuwen),
transeneren:
Dèèn ònnötterik hèèt mich al den hiêlen daag getransenèèrd
transenère (L364p Meeuwen),
treiteren:
tréétərə (L364p Meeuwen)
|
druk doen, kwellen || Hoe zegt men "iemand plagen, tergen, kreten"? [ZND 36 (1941)] || jennen, tergen, sarrend uitdagen || lichamelijk of geestelijk leed veroorzaken [plagen, kwellen] [N 85 (1981)] || plagen || plagen, treiteren || sarren, kwellen || sarren, vals plagen || treiteren
III-1-4
|
19286 |
treiterkop |
jensduivel:
zie ook jense
jensdi-jvel (L364p Meeuwen),
jenserd:
syn. jensdi-j-vel, pestjònk
jenserd (L364p Meeuwen),
tempteerder:
tamtèèrder (L364p Meeuwen)
|
een sar, plaaggeest || plaaggeest || treiteraar
III-1-4
|
20485 |
trek, eetlust |
goesting:
goesting (L364p Meeuwen),
gósting (L364p Meeuwen),
honger:
honger (L364p Meeuwen)
|
hij heeft geen eetlust meer [ZND 34 (1940)] || trek; Hoe noemt U: Zin in eten (trek, appertijt, appetijt, goesting, kop) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
33955 |
trekhaken, -ogen |
haamhaken:
hāmhē̜k (L364p Meeuwen),
hāmhǫu̯k (L364p Meeuwen)
|
IJzeren haken of ogen die aan de voorkant van het haam aan de haamijzers of treiten bevestigd zijn, op elke haamspaan een. Aan die haken of ogen worden de strengen bevestigd waarmee het paard trekt. Er zijn hamen met ogen, dan hebben de strengen aan het uiteinde haken, heeft het haam daarentegen haken, dan zijn de strengen aan het uiteinde van ogen voorzien. [JG 1a, 1b, 2b; N 13, 6a en 6b; N 36, 12]
I-10
|
22743 |
trekharmonica |
accordeon:
dit woord wint meer en meer het veld (boven trekzak), door invloed van A.N
accordeon (L364p Meeuwen),
Hij kan goed accordeon spelen.
akoͅrdijoͅn (L364p Meeuwen),
harmonica:
harmy.nika (L364p Meeuwen),
monica:
my.nika, my.nəka (L364p Meeuwen),
trekzak:
trekzak (L364p Meeuwen),
trɛkzak (L364p Meeuwen)
|
Accordeon. || Harmonica. || Hoe noemt men in uw dialect de trekharmonica of accordeon? Het gaat om de meest gebruikte benaming, niet om grappige namen. [DC 52 (1977)] || Monika: harmonika. || Trekzak: trekharmonica.
III-3-2
|
30062 |
trekhei |
heipikkel:
hęjpekǝl (L364p Meeuwen),
palenheier:
poalǝhęjǝr (L364p Meeuwen)
|
Toestel om met behulp van handkracht palen in de grond te slaan. Het bestaat uit een uit drie poten samengestelde standaard waarin een katrolschijf is gemonteerd. Over de schijf loopt een dik touw waar aan één uiteinde het heiblok aan is bevestigd. Aan het andere uiteinde van het touw zijn een aantal dunnere touwen vastgemaakt waar de arbeiders aan trekken. Het heiblok is vervaardigd uit een langwerpig stuk hard hout of metaal met vierkante doorsnede. Er bestaan ook vergelijkbare werktuigen die met behulp van een stoommachine, een electromotor of een verbrandingsmotor worden aangedreven. De heireep van het heiblok wordt daarbij opgewonden op de trommel van een liertoestel. Zie ook afb. 27. [N 31, 5c; monogr.]
II-9
|
17898 |
trekken |
trekken:
trɛkə (L364p Meeuwen)
|
Trekken: een kracht op iets uitoefenen om het te doen bewegen in de richting naar zich toe (trekken, tij(g)en). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
29079 |
trekkers |
trekkers:
trɛkǝrs (L364p Meeuwen)
|
Middel om een broek of een vest te kunnen insnoeren. De riempjes achter het vest. [N 59, 143b]
II-7
|