| 20717 |
opgewarmde koffie |
larie:
Syst. WBD
larrie (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
sloeber:
Syst. WBD
sloeber (L265p Meijel)
|
Opgewarmde koffie (schuddebol?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18524 |
opgezette zak |
opgestikte tas:
opgestektə tɛsə (L265p Meijel)
|
een opgezette zak (opgezette zak of tes, stölpzak) [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 22402 |
opgooien (tossen) |
tossen:
tosse (L265p Meijel),
toͅsə (L265p Meijel)
|
Het kansspel waarbij een munt opgegooid wordt; de winnaar is degene die goed voorspeld heeft welke zijde (kruis of munt) boven zal liggen [koppelen, letteren, opgooien, omgooien, omroeien]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 34480 |
opgroeiend jong kipje |
pul:
pø̜l (L265p Meijel),
pulletje:
pø̜lkǝ (L265p Meijel)
|
Bedoeld wordt het kipje dat niet meer bij de klokhen is maar dat nog niet legt. [N 19, 40c]
I-12
|
| 30515 |
ophaken |
ophaken:
ophø̜̄kǝ (L265p Meijel)
|
De wisboom hoger plaatsen om met de volgende laag te beginnen. [N F, 42]
II-9
|
| 28266 |
ophalen |
ophalen:
ophālǝ (L265p Meijel)
|
De laatste poetsbewerking van de schoen met behulp van borstels en zachte doeken om de schoen zijn diepste glans te geven. [N 60, 143a]
II-10
|
| 18218 |
ophanger |
ophanger:
ophɛŋǝr (L265p Meijel),
ophɛŋər (L265p Meijel)
|
het lusje waarmee men de jas kan ophangen [N 59 (1973)] || Het lusje waarmee men de jas kan ophangen. [N 59, 125; Gi 1.IV, 37]
II-7, III-1-3
|
| 25424 |
ophijsen |
aan de worm:
an dǝ wø̜̄rǝm (L265p Meijel)
|
Nadat haken achter de blootgelegde pezen zijn gestoken of een balkje door de opening tussen de pezen en de poten is geschoven, worden aan de haken of aan het balkje touwen bevestigd. De touwen worden over een balk door twee ogen in het plafond of iets dergelijks aangetrokken, waardoor het rund uit de slachtbrug wordt getrokken, de poten gespreid. Volgens de respondent uit L 211 gaat het als volgt. De sterke kartouwen worden aan een balk vastgemaakt. Het ronde balkje wordt door de achterpoten gestoken en de lus een slag om het balkje gelegd. Door de lus stak men een z.g. karpaal. Met twee man tegelijk draaide men het balkje rond, waardoor het kartouw rond het balkje werd gewonden en de koe omhoog gehesen. Soms maakte men bij dit ophijsen gebruik van een katrol of lier. [N 28, 65; N 28, 66; monogr.]
II-1
|
| 19293 |
ophitsen |
aanhitsen:
aanhitse (L265p Meijel),
ophitsen:
ophitsen (L265p Meijel),
opstoken:
opsteuke (L265p Meijel),
opstôke (L265p Meijel),
stoken:
steukə (L265p Meijel)
|
een persoon of personen aanzetten tot ruzie [opstoken, hissen, opkitsen, oppinnen, opraden, aanlokken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19255 |
ophouden met het werk |
ophouden:
ophouwen (L265p Meijel),
uitscheiden:
utjsjeien (L265p Meijel),
utjsjéétə (L265p Meijel)
|
ophouden met werken [afscheiden, uitscheiden, ophouden] [N 85 (1981)]
III-1-4
|