| 25031 |
knappen |
knallen:
knallən (Q014p Urmond)
|
met een knappend geluid open springen [knipperen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 25032 |
knarsen |
knersen:
knèrsən (Q014p Urmond)
|
een scherp, ongelijkmatig, schurend of malend, onaangenaam aandoend geluid voortbrengen [kniersen, knoersen, knarsen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 33338 |
knecht, algemeen |
knecht:
knɛx (Q014p Urmond)
|
[L 1, a-m; S 26; Wi 8; monogr.; add. uit S 6]
I-6
|
| 17921 |
knellen |
knijpen:
kniepən (Q014p Urmond)
|
Knellen: stijf drukken zodat daardoor een striem ontstaat (knellen, knijpen, duwen, wringen, klemmen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18174 |
knellen, gezegd van schoenen |
pitsen:
pitsjən (Q014p Urmond)
|
drukken en daardoor pijn veroorzaken, gezegd van schoenen die te klein zijn [knellen, klemmen, drukken] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 24186 |
kneu |
heivink:
heivenk (Q014p Urmond, ...
Q014p Urmond),
heivènk (Q014p Urmond)
|
Hoe heet de kneu? [DC 06 (1938)] || kneu (13,5 wit in vleugel en staart; wilde man heeft in zomer rood voorhoofd en borst; hele jaar hier; veel op trek; broedt in veld en hei; roep [tut-tut-tut]; leuke zang; geliefde kooivogel [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 21058 |
kneuzen |
blutsen:
blötschen (Q014p Urmond)
|
blutsen [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 33939 |
knevels |
knevels:
knɛvǝls (Q014p Urmond)
|
Beide haakjes aan de bitringen, die aan het hoofdstel worden opgehangen. [N 13, 45]
I-10
|
| 22410 |
knibbelen |
mikado:
mikādō (Q014p Urmond)
|
Het spel waarbij de spelers staafjes (26 of 28) die verward op een hoopje liggen, met een haakje of een staafje telkens een staafje moeten ophalen zonder de andere te bewegen [knibbelen, knipperen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 17677 |
knie |
knie:
kne. (Q014p Urmond),
kneej (Q014p Urmond, ...
Q014p Urmond)
|
knie [DC 01 (1931)], [RND], [SGV (1914)]
III-1-1
|