| 21273 |
meester |
leraar:
herr lierer (Q208p Vijlen),
meester:
meester (Q208p Vijlen)
|
meester [SGV (1914)] || onderwijzer; Hoe werd voor de 2e Wereldoorlog een onderwijzer van de lagere school genoemd? [DC 48 (1973)]
III-3-1
|
| 33337 |
meid, dienstmeid |
dienstbode:
dēnsbǭ (Q208p Vijlen),
dienstmeidje:
dēnsmɛtjǝ (Q208p Vijlen),
maagd:
māt (Q208p Vijlen),
(mv)
mɛ̄ (Q208p Vijlen),
maagdje:
mɛtjǝ (Q208p Vijlen)
|
Meid is een noordelijke vorm, een samentrekking uit maged, maagd. Kok en keukense slaan op de keukenmeid. Dienstbode is een expansie uit de (Noord-)Nederlandse standaardtaal. [L 1, a-m; L 1u, 156; L 38, 10; RND 118; R 12, 30; S 6 en 23; Wi 6; monogr.]
I-6
|
| 24582 |
meidoorn |
doorn:
de vruchten heten hanepikkele
dujen (Q208p Vijlen),
döjen (Q208p Vijlen),
heggendoorn:
Duitsche g gut
heggedoor (Q208p Vijlen)
|
haagdoorn [SGV (1914)] || meidoorn [DC 13 (1945)]
III-4-3
|
| 24331 |
meikever |
meikever:
meikever (Q208p Vijlen),
meikèver (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen),
WLD
meikeever (Q208p Vijlen)
|
Hoe noemt u de meikever: een soort kever, 24-30mm lang; met dekschild, de poten en sprieten zijn bruinrood, de kop en het borststuk zwart met op de onderzijde een dichte witte beharing; de buiksegmenten zijn zwart met aan elke zijde een opvallende, helwit [N 83 (1981)] || meikever [SGV (1914)] || meikever, algemeen [DC 18 (1950)]
III-4-2
|
| 20309 |
meisje |
meidje:
metje (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen),
mêt-je (Q208p Vijlen)
|
meisje [SGV (1914)] || meisje; (Zijn er verschillende namen voor kinderen van verschillende leeftijden?) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 20366 |
meisje met wie een jongen verkering heeft |
meidje:
metje (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen)
|
Hoe noemt men het meisje met wie men verkeering heeft? (Hoe noemt men haar, wanneer men met haar verloofd is?) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 20381 |
meisje met wie men verloofd is |
meidje:
verloven kent men hier niet
metje (Q208p Vijlen),
verloofde:
men gebruikt geen Vijlens woord
verloofde (Q208p Vijlen)
|
Hoe noemt men haar, wanneer men met haar verloofd is? (Hoe noemt men het meisje met wie men verkeering heeft?) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 24872 |
melganzenvoet |
meeskruid:
mees kroet (Q208p Vijlen)
|
Melganzevoet (chenopodium album 30 tot 100 cm hoge plant. De stengels staan rechtop en zijn vertakt; de bladeren zijn zeer verschillend van vorm, tevens onregelmatig getand, de bovenste gaafrandig, aan de buitenkant dofgroen, de onderkant wit-melig best [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 20970 |
melig |
melig:
WLD
melig (Q208p Vijlen)
|
Te rijp en daardoor droog en korrelig, gezegd van een vrucht (meelachtig, melen, versleten, melig). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 34237 |
melk |
melk:
melk (Q208p Vijlen),
melǝk (Q208p Vijlen)
|
De hoofdzakelijk uit water, eiwit, vet en melksuiker bestaande witte vloeistof die door het vrouwelijk rund wordt afgescheiden. Op de kaart is het woordtype melk niet opgenomen. [A3, 3; A 11, 1c; A 17, 17; A 7, 14; RND 40; RND 127; S 23; JG 1a, 1b, 2c; L 1a-m; L 4, 3; L 29, 5; NE 3, V 6n; Vld.; Gwn 10, 1; monogr.]
I-11
|