e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Weert

Overzicht

Gevonden: 7826
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zuigen optrekken: m.b.v. rietje  optrekke (Weert), opzuiken: opzoeëke (Weert), zuigen: zuuge (Weert, ... ), zuiken: zoeeke (Weert), zoeke (Weert, ... ), zoeëke (Weert), Sókkerpaek zoêke  zoêke (Weert) limonade door een rietje zuigen [DC 35 (1963)] || zuigen || zuigen [suuke, snekke] [N 10 (1961)] III-2-3
zuigfles fles: fles (Weert) zuigfles; een fles met speen om zuigelingen met melk te voeden [teuter, lots, tutter, teuterfles] [N 86 (1981)] III-2-2
zuigwormen wormen: wòrrem (Weert) Hoe noemt U in Uw dialect de volgende ziekten: zuigwormen? [N 93 (1983)] III-3-2
zuinig benauwd: benauwdj (Weert), zuinig: zunig (Weert) van zijn bezit telkens een zo klein mogelijk gedeelte uitgevend om te sparen [zuinig, econoom, civiel, benauwd, kiem] [N 89 (1982)] III-3-1
zuiveren zich zuiveren: zich zuiveren (Weert) Afscheiding blijven geven na het kalven, gezegd van de koe. [N 3A, 58] I-11
zure haring haring in het zuur: hiéring int soor (Weert), ingelegde haring: ingelagdje hieëring (Weert), zure haring: zoore híering (Weert) ingemaakte haring || rolmops; Hoe noemt U: Een haring in het zuur (rolmops) [N 80 (1980)] III-2-3
zure oprisping zuur: t zooor hebbe (Weert), t zoor (Weert, ... ), t zoor hebbe (Weert, ... ), t zoor krie.ge (Weert), ut zooër (Weert), ut zooër hebbe (Weert) oprisping hebben gepaard gaande met een zure smaak in de mond [opzuure] [N 10 (1961)] || oprisping, een zure oprisping [de vuilen opbot, zooj, zuur] [N 10a (1961)] III-1-2
zuring (alg.) surelle (fr.): serel’ (Weert), zuurloof: zoorlouf (Weert) zuring III-4-3
zuring, groente zuurloof: zoorlouf (Weert) Zuring die als groente wordt gekweekt [N 14 (1962)] I-7
zuster begijn: begien (Weert), non: non (Weert), zuster: zuster (Weert), zöster (Weert, ... ) Een lid van een vrouwelijke geestelijke orde, zuster, non [zuster, non, maseur, begijn]. [N 96D (1989)] || zus || zuster; bestaat er een woord voor broers en zusters samen (Hd. Geschwister?) [DC 05 (1937)] || zuster; mijn - is achttien, mijn zuster twintig jaar; < 6 jaar [DC 12a (1943)] || zuster; mijn - is achttien, mijn zuster twintig jaar; ± 10 jaar [DC 12a (1943)] || zuster; mijn broer is achttien, mijn zuster twintig jaar; volw. [DC 12a (1943)] III-2-2, III-3-3