e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Baexem

Overzicht

Gevonden: 1867

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
achterknie hakken: hakǝ (Baexem) Uitstekend achterpootsgewricht van het paard. Een gedeelte van de termen duidt niet de uit- maar de insprong of knieholte aan. Zie afbeelding 2.40. [JG 1a, 1b, 2c; N 8, 32.1, 32.5, 32.9, 32.10, 32.11 en 32.12] I-9
achternaafband band: bantj (Baexem  [(mv be̜nj)]  ) De ijzeren band om het achtereinde van de naaf, aan de kant van de wagen. De achternaafband is doorgaans smaller dan de muilband. Zie ook afb. 214. [N G, 43d; N 17, 60b; Vld.] II-11
achterste achterwerk: achterwerk (Baexem), kont: kóntj (Baexem), vot: vot (Baexem) [N 10c (1961)] III-1-1
achteruit terug: trø̜k (Baexem) Voermansroep om het paard achteruit te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95l en 96; L B 2, 254; L 36, 81b; monogr.] I-10
achteruittrappen houwen: hǫu̯ǝ (Baexem) Met één of beide achterpoten achterwaarts trappen. [JG 1a; N 8, 70a en 72] I-9
achterwand achterbred: axtǝrbrɛ̄t (Baexem) De afneembare achterplank van de kar of wagen. Deze plank werd tussen de twee zijwanden geschoven om de laadruimte af te sluiten en kon tijdens het lossen weggenomen worden. Voor de betekenisontwikkelingen van de verschillende woordtypes, zie de toelichting bij het lemma voorwand. Op de kaart zijn voor Belgisch Limburg alleen de gegevens uit de mondelinge enqu√™te opgenomen. [N 17, 30a + 36 + 48; N G, 61c; JG 1a; JG 1b; JG 2b; JG 2c; A 26, 1a; Lu 4, 1a; L 33, 4; L 40, 56; monogr.] I-13
achterwerk bodem: baom (Baexem), kont: kóntj (Baexem), vot: vot (Baexem, ... ) deel van het lichaam waar de bovenbenen tezamen komen [mik, fliermik] [N 10 (1961)] III-1-1
adamsappel adamsappel: adamsappel (Baexem), strot: sjtraot (Baexem) adamsappel [N 10 (1961)] III-1-1
ademen ademen: aome (Baexem, ... ), ademhalen: aom haole (Baexem) ademen [N 10a (1961)] III-1-1
ader ader: aor (Baexem, ... ) ader [N 10a (1961)] III-1-1