e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q247a plaats=Sint-Pieters-Voeren

Overzicht

Gevonden: 843

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
boog boog: boͅ:ch (Sint-Pieters-Voeren) boog [RND] III-3-2
boom pilaar: pilę̄r (Sint-Pieters-Voeren) Het zware, staande gedeelte van de draaiboom. Zie afb. 16. [N 57A, 4.1; N 57, 9 add.] II-2
boom (alg.) boom: bo:m (Sint-Pieters-Voeren) boom [RND] III-4-3
boomgaard boomgaard: b‧oͅmərt (Sint-Pieters-Voeren) I-7
boomstronk vot: də .vot (Sint-Pieters-Voeren) boomstronk, de stomp-met-wortels van een afgehakte boom [N 27 (1965)] III-4-3
boon, algemeen bonen: bǫnǝ (Sint-Pieters-Voeren) Phaseolus L. Zoals bij de erwt gaat ook hier het lemma met de algemene benaming vooraf aan de namen van specifieke soorten. Enkelvouden en meervouden zijn apart gehouden. [JG 1a, 1b, 1c; L 1, a-m; L 1u, 21; L 8, 84; L 22, 3a; S 4; Wi 14; monogr.; add. uit N P, 23] I-5
bord telder: tɛ̄.ldər (Sint-Pieters-Voeren) bord III-2-1
bos bos: bø̄.š (Sint-Pieters-Voeren) Een met opgaande bomen beplante uitgestrektheid grond hetzij in natuurstaat of aangelegd. [N 27, 4a; RND 82; L 1a-m; L 22, 7; Vld.; monogr.] I-8
boter botter: botǝr (Sint-Pieters-Voeren) Het bovengedreven vet op de melk. Dit is het eindprodukt van het karnen. [N 12, 51, 52, 55, 58 en 61; JG 1a, 1b; L 1a-m; L 1u, 114; L 20, 26b; L 22, 8; L 27, 67 en 69; S 4 en 17; A 4, 26a en 26b; A 7, 19, 21, 22 en 23; A 9, 15b; A 16, 8a; A 28, 7; N 5A (I] I-11
boterham boterham: botərám (Sint-Pieters-Voeren), taart: uit het waals (t‹t), het woord komt meestal voor in samenstellingen  tārt (Sint-Pieters-Voeren), tāt (Sint-Pieters-Voeren), verzamelfiche, ook mat. van ZND 3 vraag 9  taart (Sint-Pieters-Voeren) boterham [ZND 32 (1939)] III-2-3