e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q247a plaats=Sint-Pieters-Voeren

Overzicht

Gevonden: 843

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
boterham met stroop siroopstaart: šruəpstārt (Sint-Pieters-Voeren) boterham met siroop III-2-3
bouwland land: lā.nt (Sint-Pieters-Voeren), veld: vē̜.lt (Sint-Pieters-Voeren), vɛlt (Sint-Pieters-Voeren), vɛ̄.lt (Sint-Pieters-Voeren), vɛ̄lt (Sint-Pieters-Voeren) Voor de akkerbouw gebruikt land, het geheel van akkers. [N 6, 33a; N 27, 3a; N 5AøIIŋ, 95a, 95b en 95c; N 11, 1a; L 31, 18; L 19, 1a; L 37, 11b; L a1, 113; L 4, 38; JG 1a, 1b; A 3, 38; A 10, 4; A 20, 1b; Wi 7; S 49; RND 4, 7, 8 en 10, r.37; Vld.; monogr.] I-8
bouwvoor de goede grond: dǝr gō grōnt (Sint-Pieters-Voeren) De bouwvoor of teellaag van akker- en tuingrond is de door regelmatig ploegen of spitten en bemesten vruchtbaar gemaakte humusrijke bovenlaag, waarin de gewassen wortel schieten. De dikte van deze laag komt overeen met de diepte van de geploegde of gespitte zaaivoor. Van de opgesomde termen zijn er sommige ook toepasselijk op een bepaalde (goede) grondsoort of op vruchtbare grond in het algemeen. [N 27, 26a + b; N 11A, 129f + 137a; A 47, 4d] I-1
bovenlicht overlicht: ø̜̄a.vǝrl ̇ext (Sint-Pieters-Voeren) Zie kaart. Met de term 'bovenlicht' kan zowel een vast raam boven een (voor)deur als het al dan niet naar binnen openklappend bovenste deel van een raam worden bedoeld. De woordtypen 'waaier', 'waai', 'spinnekop', 'deurlicht' en 'deurvenster' duiden specifiek een vast raam boven een deur aan. [S 4; L 1 a-m; L 22, 10; L B1, 170; N 55, 54a; A 46, 10a, add.; A 46, 10c; A 49, 10; monogr.] II-9
braaf braaf: braaf (Sint-Pieters-Voeren) braaf (wijs) [ZND 04 (1924)] III-1-4
braakliggen dries liggen: drēšliqǝ (Sint-Pieters-Voeren) Land of een akker voor een tijd, soms voor meerdere jaren, onbebouwd laten liggen. Naast de werkwoordelijke woordtypen als braken en braakliggen komen er in dit lemma ook woordtypen voor die bijvoeglijk van aard zijn. Deze hebben grammaticaal de functie van een bepaling van gesteldheid bij de werkwoorden (laten) liggen en zijn, b.v. het land ligt braak, is hard, woest en b.v. het land (voor) vogelwei laten liggen, (in de) dries laten liggen enz. [N 11, 5; N 11, 6; N 11A, 134a; N 11A, 135; N 27, 4b; L 1a-m; L 22, 13; JG 1a, 1b, 1d; S 4; Wi 43; Ale 253; monogr.] I-8
braambes bramelen: broͅmələ (Sint-Pieters-Voeren) braam(bessen) [RND] III-4-3
braambessen bramelen: bromǝlǝ (Sint-Pieters-Voeren) Als aanvulling op de vraag die in het lemma Braam is behandeld werd ook geïnformeerd naar de benamingen van de vrucht van de braamstruik. [JG 1b gedeeltelijk, 1c, 2c] I-5
brandhout knuul: zware houtblok, in de winter als brandstof gebruikt  kn‧yl (Sint-Pieters-Voeren), vinkelhout: fønkelhoot (Sint-Pieters-Voeren), vø̄.ŋkəlhōͅ.t (Sint-Pieters-Voeren), vonkelhout: vø&#x0304.ŋkəlhōͅ.t (Sint-Pieters-Voeren) [Lk 02 (1953)]brandhout I-7, III-2-1
brede buikriem onderhelp: ˙ondǝrhęlǝp (Sint-Pieters-Voeren) Riem die onder de buik van het paard wordt gespannen en aan de twee uiteinden van de berries wordt vastgemaakt. Hij zorgt ervoor dat het paard steviger tussen de berries staat en voorkomt dat de kar opkipt. Deze riem is breder dan de smalle buikriem opdat hij bij het opkippen van de kar niet in de buik van het paard zou snijden. [JG 1a, 1b, 1c, 2b, 2c; N 13, 73] I-10