e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
dem steekt de brats geil, wellustig:   dem stikt der brats (Nieuwenhagen) III-2-2
dem steekt de brets geil, wellustig:   dem sjtik de brets (Klimmen) III-2-2
demelen sluik haar:   deemelen (Grevenbicht/Papenhoven) III-1-1
demen tepel:   diǝmǝ (Blerick, ... ), dø̜̄i̯mǝ (Smeermaas), dēmǝ (Klein Haasdal / Groot Haasdal, ... ), dēmǝn (Lommel), dē̜mǝ (Gronsveld, ... ), dęǝmǝ (Heerlen) I-11, I-9
demen (mv) uier:   dēmǝ (Gennep, ... )
demendier onnozel persoon:   deë’medeer (Bleijerheide, ... ), cf. Kerkrade Wb. p. 70 s.v. "deëm"= tepel van een uier: cf. s.v. "deer"= dier; betekenis dus van "demendeer": tepel van een dier  deë’medeer (Kerkrade), Uitleg  deë’medeer (Chèvremont) III-1-4
dement kinds:   dement zeen (Bree) III-2-2
demer driespeen:   dē̜mǝr (Schimmert), mist, nevel (alg.): ¯laaghangende mist¯  demer (oud) (Helden/Everlo), tweespeen:   dē̜mǝr (Schimmert) III-1-1, I-11
demer (zn.) schemeren van de ogen:   den demer (Baarlo) III-4-4
demeren donker worden, duisteren:   diaemere (Echt/Gebroek), schemeren: Osp.  deêmere (Ospel), schemeren van de ogen:   ⁄t daemert (Sevenum) III-1-1, III-4-4