e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
flodderen door een staand gewas lopen:   floddere (Blerick), een zandbad nemen:   flodderen (Hoepertingen, ... ), flodǝrǝ (Borgloon, ... ), flǫdǝrn (Diepenbeek), flǫdǝrǝ (Halen, ... ), flǭdǝrǝ (Lommel), fladderen:   floddere (Geulle, ... ), flodderen (Weert), flodderən (Brunssum), floodere(n) (Velden), flōddere (Schimmert), flòddere (Sint-Truiden), flòddərə (Heerlen), flòdərə (Venlo), flôddere (Blerick, ... ), loteren, los zitten:   flòdərə (Opglabbeek), (gezegd van kleren).  flòddere (As), niet glad hangen:   flodǝrǝ (Echt), prutsen:   floddere (Maastricht), Mak da mar ovvernijd, ge hèt mar wat ân geflodderd  floddere (Gennep, ... ), stuntelen:   flòddərə (Niel-bij-St.-Truiden), te groot zijn:   da floddert (Hoepertingen, ... ), dat vlottert rond mich (Eigenbilzen), floddere (Bilzen, ... ), flodderen (Born, ... ), floddert (Veldwezelt), flodere (Vorsen), floedderə (Oirsbeek), floͅdərə (Meeswijk), floͅdərən (Lommel), flòddere (Haelen), flòddërë (Tongeren), flòddərə (Opglabbeek), flóddere (Maastricht), a>o.  floͅdərən (Lommel), b.v. ich been zoe mäoger woërde, de klyjer - öm mich heen.  flôddere (Gronsveld), ne flodderêr: slordig gekleed pers., (vnl.) slecht vakman, die niets behoorlijk afwerkt.  t floddert (Bilzen), Spelling: <`> = sjwa.  flodd`re (Kaulille), woest, onachtzaam lopen:   floddere (Thorn) I-12, II-7, III-1-2, III-1-3, III-1-4, III-4-1, III-4-4
floddergats steeg, steegje:   floddergats (Horst) III-3-1
flodderhoed flaphoed:   floͅdərut (Sint-Truiden) III-1-3
flodderig zijn te groot zijn:   flodderig (Maastricht, ... ) III-1-3
flodderkleed (zn.) te groot zijn:   flodderkliet (Zonhoven) III-1-3
flodderkleren (zn. mv.) te groot zijn: Gefronsde of flodderkliejehr is feitelijk inne mode.  flodderkliejehr (Peer) III-1-3
flodderkont grof gebouwde vrouw:   flodderkont (Sint-Huibrechts-Lille), hen zonder staart:   flǫdǝrkǫnt (Hoeselt), slons (slodder?):   flodderkont (Kortessem) I-12, III-1-1, III-1-4
floddermadam slons (slodder?):   floddermadam (Kortessem) III-1-4
floddermuts witte kanten muts zonder sierkrans:   floͅdərmøts (Leopoldsburg) III-1-3
floddertje dunne sjaal: [sic] - [Van Dale: flodder1, 4. loszittend, m.n. slordig en ondegelijk kledingstuk]  fledderke (Eksel), penis: Schertsend.  flödderke (Thorn) III-1-1, III-1-3