| 18845 |
gepakt |
beteuterd:
hij was gepakt (K317p Leopoldsburg),
hije was gepakt (P121p Ulbeek),
ook materiaal znd 32, 67
gepakt (K317p Leopoldsburg, ...
P121p Ulbeek)
III-1-4
|
|
| 17790 |
gepakt zijn |
gevoelig (zijn):
gəpàkt zén (P047p Loksbergen)
III-1-1
|
|
| 20172 |
geparenteerd |
familie:
gepaarenteert (Q095p Maastricht),
geparanteerd (Q095p Maastricht),
geparenteerd (Q034p Merkelbeek)
III-2-2
|
|
| 20171 |
geparenteerd zijn |
verwantschap:
geparenteerd zien (Q095p Maastricht),
geparenteerd zieë met (Q203p Gulpen),
gəparənteerd zien (Q095p Maastricht)
III-2-2
|
|
| 18525 |
gepassepoileerde (<fr.) maal |
in stof geplaatste zak:
Van Dale: passepoileren, paspelen. Van Dale: paspelen, van een paspel [i.e. smalle omboording (b.v. van knoopsgaten)] voorzien. Syn. passepoileren.
gaepaspoilleerde maal (Q200p s-Gravenvoeren),
gepaspeljeerdje maal (L368p Neeroeteren),
zakintast:
Van Dale: passepoileren, paspelen. Van Dale: paspelen, van een paspel [i.e. smalle omboording (b.v. van knoopsgaten)] voorzien. Syn. passepoileren.
gepaspelēērde maal (Q007p Eisden)
III-1-3
|
|
| 18525 |
gepassepoileerde (<fr.) tas |
in stof geplaatste zak:
Van Dale: passepoileren, paspelen. Van Dale: paspelen, van een paspel [i.e. smalle omboording (b.v. van knoopsgaten)] voorzien. Syn. passepoileren.
gepaspeleerde tes (Q095p Maastricht),
zak met klep:
Van Dale: passepoileren, paspelen. Van Dale: paspelen, van een paspel [i.e. smalle omboording (b.v. van knoopsgaten)] voorzien. Syn. passepoileren.
gepaspeleerdje tesse (L330p Herten (bij Roermond)),
zakintast:
Van Dale: passepoileren, paspelen. Van Dale: paspelen, van een paspel [i.e. smalle omboording (b.v. van knoopsgaten)] voorzien. Syn. passepoileren.
gepaspwalleerde tes (Q198p Eijsden)
III-1-3
|
|
| 18525 |
gepassepoileerde (<fr.) zak |
in stof geplaatste zak:
Van Dale: passepoileren, paspelen. Van Dale: paspelen, van een paspel [i.e. smalle omboording (b.v. van knoopsgaten)] voorzien. Syn. passepoileren.
gepaspoleerde zak (Q071p Diepenbeek)
III-1-3
|
|
| 19226 |
gepast |
gemakkelijkste wijze; gemakkelijkst; gemakkelijk maken:
gepasjt (L374p Thorn)
III-3-1
|
|
| 21338 |
gepast (bn.) |
kleingeld:
(= heb je geen klein geld).
hùb ste het neet gepas (Q104p Wijk),
ps. omgespeld volgens Frings.
gəpāst (Q071p Diepenbeek)
, III-1-4
|
|
| 21338 |
gepast geld |
kleingeld:
gepas geld (Q187a Heugem, ...
Q104p Wijk),
gepast geld (L269p Blerick, ...
Q039p Hoensbroek)
III-3-1
|
|