e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Bocholt

Overzicht

Gevonden: 5095

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
abuis abuis: de beist abys (Bocholt), ook materiaal znd 19a,6  doe hebs abies (Bocholt), ook materiaal znd 19a,6 met een ^ op de y  de beist abys (Bocholt), er langs: d`es er langs (Bocholt), mis: d`es mis (Bocholt), de`s mis (Bocholt), dès mis (Bocholt), verkeerd: dig hebts het verkeerd veur (Bocholt), ook materiaal znd 19a,6  dig hebts het verkierd veur (Bocholt) abuis [ZND 01 (1922)] || Dat is mis. [ZND 38 (1942)] || Ge zijt abuis (= ge vergist u). [ZND 19 (1936)] III-1-4
achterdocht achterdocht: ich haw gein achterdocht (Bocholt), ook materiaal van vr.lijst 32, vr. 44  ich haw gein achterdocht (Bocholt) achterdocht [ZND 01 (1922)] || ik had geen achterdocht (ik vermoedde geen kwaad) [ZND 32 (1939)] III-1-4
achtereen, na elkaar aan een stuk: ps. in deze betekenis staat het niet!  aan èè stèk (Bocholt), de een achter de ander: LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees).  d⁄ein achter d⁄ander (Bocholt), met staande kar: Bijv. als de oogst wordt binnengehaald met een gereedstaande kar als de andere aankomt.  möt stoandzje kar (Bocholt), na-een: LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees).  noa ein (Bocholt), naastegang: noastegang (Bocholt) achtereen, na elkaar III-4-4
achtergebleven hooi harken scharren: šarǝ (Bocholt) Wanneer het hooi is binnengehaald werd soms nog eens het hooiland afgeharkt om het achtergebleven hooi te verzamelen. [N14, 122; A 34, 4 add.] I-3
achterhaam achterhaam: axtǝrhām (Bocholt) Samenstel van riemen dat op het achterwerk van het paard wordt gelegd en dient om de kar achteruit te stoten. [JG 1a, 1b, 2b; N 13, 74; monogr.] I-10
achterhand van het paard (het) achterste: axtǝrstǝ (Bocholt), achterhand: axtǝrhant (Bocholt) Het achtergestel van een paard, in tegenstelling met de voorhand of het voorste deel (3.1.3), en het middendeel of de middenhand (3.3.5). [N 8, 13 en 32.9] I-9
achterklauw vers: vars (Bocholt) Achterste deel van de hoef. [N 3A, 119c] I-11
achterknie vars: vars (Bocholt) Uitstekend achterpootsgewricht van het paard. Een gedeelte van de termen duidt niet de uit- maar de insprong of knieholte aan. Zie afbeelding 2.40. [JG 1a, 1b, 2c; N 8, 32.1, 32.5, 32.9, 32.10, 32.11 en 32.12] I-9
achternaafband naafband: nā(ǝ)f˱bɛ̜nj (Bocholt), reep: rę̄jp (Bocholt) De ijzeren band om het achtereinde van de naaf, aan de kant van de wagen. De achternaafband is doorgaans smaller dan de muilband. Zie ook afb. 214. [N G, 43d; N 17, 60b; Vld.] II-11
achterschijf stootring: stuǝtreŋk (Bocholt) Ronde, met het wiel meedraaiende schijf tussen de naaf en de stootring van het asblok. De achterschijf verhindert dat er tijdens het rijden vet of smeer verloren gaat en vuil de naafbus kan binnendringen. Woordtypen met als tweede lid het woord -ring komen ook voor in het lemma ɛstootringɛ (WLD I.13).' [N G, 50a; N 17, 56; JG 1b, add.] II-11