| 19850 |
trechter |
trechter:
trɛxtər (L416p Opglabbeek)
|
trechter [ZND 08 (1925)]
III-2-1
|
| 32619 |
trechter op de gierton |
trechter:
trɛxtǝr (L416p Opglabbeek)
|
In het spongat van de oude houten gierton werd een trechter geplaatst. Langs deze trechter goot men de gier met een emmer de ton in. Bij het vervoer van de gier werd de trechter vaak afgedekt met een oude jutezak. [N 18, 123; N 11A, 53c; JG 1a + 1b; monogr.]
I-1
|
| 19463 |
trede |
trapijzer:
trap˱īzǝr (L416p Opglabbeek),
trede:
trééj (L416p Opglabbeek),
trē̜j (L416p Opglabbeek),
(mv)
trēi̯ǝr (L416p Opglabbeek)
|
De ijzeren opstapper die bij de huifkar aan een van de berries is opgehangen. Bij het rijtuig maakt de trede deel uit van de bak. [N 17, 39; N G, 59d; monogr.] || Elk der boven elkaar gelegen en terugwijkende opstapjes die samen een trap in een huis vormen, waarlangs men naar een andere verdieping kan gaan (trede,tree,trap) [N 79 (1979)] || Elk van de horizontale, schuin boven elkaar gelegen delen van een trap. Bij een eenvoudige trap bevindt zich tussen de treden een open ruimte, bij andere trappen een verticaal stootbord. De treden worden van voren rond of geprofileerd bewerkt en hebben doorgaans een dikte van 28 tot 45 mm. Zie ook afb. 68. [N 55, 104a; N 79, 15; monogr.]
I-13, II-9, III-2-1
|
| 28912 |
treeft |
rooster:
rooster (L416p Opglabbeek)
|
Rooster om een heet ijzer op te zetten. De informant van Q 83 gebruikt als onderzetter meestal een (schoen)zool. Zie afb. 18. [N 59, 22]
II-7
|
| 33954 |
treiten |
treiten:
trē̜tǝ (L416p Opglabbeek)
|
Leren omwikkelingen van het haam, waaraan de trekhaken of -ogen bevestigd zijn. [N 13, 5]
I-10
|
| 19292 |
treiteren |
jensen:
den hiêlen daag zoate ze òs te jennen tot vèè het oppen door kòtsmeeg woare
jense (L416p Opglabbeek),
koeioneren:
ēmə kojəne͂ͅrə (L416p Opglabbeek),
kujənēͅrə (L416p Opglabbeek),
plagen:
eine plaogen (L416p Opglabbeek),
ēmə plōgə (L416p Opglabbeek),
ēmə plōͅgə (L416p Opglabbeek),
tempteren:
temtére (L416p Opglabbeek),
Ze zaat mich mè den hiêlen daag te tamptère viêr toch mè möt te moage goan Fr. tourmenter
tamptère (L416p Opglabbeek),
transeneren:
Dèèn ònnötterik hèèt mich al den hiêlen daag getransenèèrd
transenère (L416p Opglabbeek),
treiteren:
eine trètere (L416p Opglabbeek),
ēmə tre͂ͅtərə (L416p Opglabbeek)
|
druk doen, kwellen || Hoe zegt men "iemand plagen, tergen, kreten"? [ZND 36 (1941)] || Iemand kwellen, plagen (geef gelijkbetekenende woorden op). [ZND 29 (1938)] || jennen, tergen, sarrend uitdagen || sarren, kwellen
III-1-4
|
| 19286 |
treiterkop |
jensduivel:
zie ook jense
jensdi-jvel (L416p Opglabbeek),
jenserd:
syn. jensdi-j-vel, pestjònk
jenserd (L416p Opglabbeek),
tempteerder:
tamtèèrder (L416p Opglabbeek)
|
een sar, plaaggeest || plaaggeest || treiteraar
III-1-4
|
| 20485 |
trek, eetlust |
fanes:
faanis (L416p Opglabbeek),
streepjes onde de aa
faanis (L416p Opglabbeek),
goesting:
goesting (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
gósting (L416p Opglabbeek),
honger:
honger (L416p Opglabbeek),
y(3)ŋər (L416p Opglabbeek),
kop:
kòp (L416p Opglabbeek)
|
hij heeft geen eetlust meer [ZND 34 (1940)] || hij heeft geen honger meer [ZND 44 (1946)] || trek; Hoe noemt U: Zin in eten (trek, appertijt, appetijt, goesting, kop) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33955 |
trekhaken, -ogen |
haamhaken:
hāmhē̜k (L416p Opglabbeek),
%%enkelvoud%%
hāmhǭk (L416p Opglabbeek)
|
IJzeren haken of ogen die aan de voorkant van het haam aan de haamijzers of treiten bevestigd zijn, op elke haamspaan een. Aan die haken of ogen worden de strengen bevestigd waarmee het paard trekt. Er zijn hamen met ogen, dan hebben de strengen aan het uiteinde haken, heeft het haam daarentegen haken, dan zijn de strengen aan het uiteinde van ogen voorzien. [JG 1a, 1b, 2b; N 13, 6a en 6b; N 36, 12]
I-10
|
| 22743 |
trekharmonica |
harmonica:
ermüüenikā (L416p Opglabbeek),
monica:
moenika (L416p Opglabbeek),
trekzak:
traikzak (L416p Opglabbeek),
trèkzak (L416p Opglabbeek)
|
Hoe heet het populaire muziekinstrument, dat uit een vierkante blaasbalg bestaat, die met beide handen wordt ineengedrukt of uitgetrokken, terwijl de vingers toesten neerdrukken? [ZND 26 (1937)]
III-3-2
|