e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
trechter trechter: trɛxtər (Opglabbeek) trechter [ZND 08 (1925)] III-2-1
trechter op de gierton trechter: trɛxtǝr (Opglabbeek) In het spongat van de oude houten gierton werd een trechter geplaatst. Langs deze trechter goot men de gier met een emmer de ton in. Bij het vervoer van de gier werd de trechter vaak afgedekt met een oude jutezak. [N 18, 123; N 11A, 53c; JG 1a + 1b; monogr.] I-1
trede trapijzer: trap˱īzǝr (Opglabbeek), trede: trééj (Opglabbeek), trē̜j (Opglabbeek), (mv)  trēi̯ǝr (Opglabbeek) De ijzeren opstapper die bij de huifkar aan een van de berries is opgehangen. Bij het rijtuig maakt de trede deel uit van de bak. [N 17, 39; N G, 59d; monogr.] || Elk der boven elkaar gelegen en terugwijkende opstapjes die samen een trap in een huis vormen, waarlangs men naar een andere verdieping kan gaan (trede,tree,trap) [N 79 (1979)] || Elk van de horizontale, schuin boven elkaar gelegen delen van een trap. Bij een eenvoudige trap bevindt zich tussen de treden een open ruimte, bij andere trappen een verticaal stootbord. De treden worden van voren rond of geprofileerd bewerkt en hebben doorgaans een dikte van 28 tot 45 mm. Zie ook afb. 68. [N 55, 104a; N 79, 15; monogr.] I-13, II-9, III-2-1
treeft rooster: rooster (Opglabbeek) Rooster om een heet ijzer op te zetten. De informant van Q 83 gebruikt als onderzetter meestal een (schoen)zool. Zie afb. 18. [N 59, 22] II-7
treiten treiten: trē̜tǝ (Opglabbeek) Leren omwikkelingen van het haam, waaraan de trekhaken of -ogen bevestigd zijn. [N 13, 5] I-10
treiteren jensen: den hiêlen daag zoate ze òs te jennen tot vèè het oppen door kòtsmeeg woare  jense (Opglabbeek), koeioneren: ēmə kojəne͂ͅrə (Opglabbeek), kujənēͅrə (Opglabbeek), plagen: eine plaogen (Opglabbeek), ēmə plōgə (Opglabbeek), ēmə plōͅgə (Opglabbeek), tempteren: temtére (Opglabbeek), Ze zaat mich mè den hiêlen daag te tamptère viêr toch mè möt te moage goan Fr. tourmenter  tamptère (Opglabbeek), transeneren: Dèèn ònnötterik hèèt mich al den hiêlen daag getransenèèrd  transenère (Opglabbeek), treiteren: eine trètere (Opglabbeek), ēmə tre͂ͅtərə (Opglabbeek) druk doen, kwellen || Hoe zegt men "iemand plagen, tergen, kreten"? [ZND 36 (1941)] || Iemand kwellen, plagen (geef gelijkbetekenende woorden op). [ZND 29 (1938)] || jennen, tergen, sarrend uitdagen || sarren, kwellen III-1-4
treiterkop jensduivel: zie ook jense  jensdi-jvel (Opglabbeek), jenserd: syn. jensdi-j-vel, pestjònk  jenserd (Opglabbeek), tempteerder: tamtèèrder (Opglabbeek) een sar, plaaggeest || plaaggeest || treiteraar III-1-4
trek, eetlust fanes: faanis (Opglabbeek), streepjes onde de aa  faanis (Opglabbeek), goesting: goesting (Opglabbeek, ... ), gósting (Opglabbeek), honger: honger (Opglabbeek), y(3)ŋər (Opglabbeek), kop: kòp (Opglabbeek) hij heeft geen eetlust meer [ZND 34 (1940)] || hij heeft geen honger meer [ZND 44 (1946)] || trek; Hoe noemt U: Zin in eten (trek, appertijt, appetijt, goesting, kop) [N 80 (1980)] III-2-3
trekhaken, -ogen haamhaken: hāmhē̜k (Opglabbeek), %%enkelvoud%%  hāmhǭk (Opglabbeek) IJzeren haken of ogen die aan de voorkant van het haam aan de haamijzers of treiten bevestigd zijn, op elke haamspaan een. Aan die haken of ogen worden de strengen bevestigd waarmee het paard trekt. Er zijn hamen met ogen, dan hebben de strengen aan het uiteinde haken, heeft het haam daarentegen haken, dan zijn de strengen aan het uiteinde van ogen voorzien. [JG 1a, 1b, 2b; N 13, 6a en 6b; N 36, 12] I-10
trekharmonica harmonica: ermüüenikā (Opglabbeek), monica: moenika (Opglabbeek), trekzak: traikzak (Opglabbeek), trèkzak (Opglabbeek) Hoe heet het populaire muziekinstrument, dat uit een vierkante blaasbalg bestaat, die met beide handen wordt ineengedrukt of uitgetrokken, terwijl de vingers toesten neerdrukken? [ZND 26 (1937)] III-3-2