| 18061 |
stuipen |
begaving:
begaoving (L331p Swalmen),
begaoving höbbe (L331p Swalmen),
stuipen:
sjtūūpe (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
stuipen: De stuipen hebben: een aanval van stuipen hebben (spinneweven, spinnevoeten, stuiptrekken, in de gaven liggen). [N 84 (1981)] || stuipen: Plotselinge spiersamentrekkingen, vaak samen met bewustloosheid; stuipen (stuipen, gaven, convulsies). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 25375 |
stuiptrekken |
spartelen:
špɛrtǝlǝ (L331p Swalmen)
|
Als de slachter het dier geschoten en gestoken heeft, blijft het nog enige tijd spartelen ten gevolge van het onwillekeurig samentrekken der spieren. [N 28, 16; monogr.]
II-1
|
| 17642 |
stuitbeen |
einde, het -:
t indje (L331p Swalmen)
|
stuitbeen [gatschenk, stietje, startschroef] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 21614 |
stuiter |
stuiter:
sjteuter (L331p Swalmen)
|
waarde van 2 1/2 stuiver = 12 1/2 cent [stooter, stôêter?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25198 |
stuiven van droog zand of stof |
stuiven:
schtuuvə (L331p Swalmen),
sjtiuuve (L331p Swalmen),
ook gezegd, als het even begint te regenen.
’t begint te sjtuuve (L331p Swalmen)
|
beginnen te stuiven (er waait droog en fijn zand rond bij winderig weer] [stieven, smoren, mouwen, stobberen, stubbelen] [N 22 (1963)] || stuiven [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 21377 |
stuiver |
knab:
knap (L331p Swalmen),
knabje:
knepke (L331p Swalmen),
stuiver:
schtuuvər (L331p Swalmen)
|
stuiver [SGV (1914)] || stuiver, een ~ [5-centstuk] [stuiver, nikkel?]. Is er verschil in benaming tussen de oude nikkelen en de nieuwe bronzen stuiver? [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 33643 |
stuk grond |
lap:
lap (L331p Swalmen),
lap grond:
lap gro.njtj (L331p Swalmen),
stuk:
stø̜k (L331p Swalmen),
štø̜k (L331p Swalmen)
|
Een stuk land, een perceel grond, in het algemeen. [N 27, 2a en 5; Vld.; N 11A, 106 add.; monogr.]
I-8
|
| 29852 |
stuk klei |
brok:
brǫk (L331p Swalmen)
|
Brok of blok klei. [monogr.]
II-8
|
| 33712 |
stuk onontgonnen grond |
struweel:
štrywɛl (L331p Swalmen)
|
Een stuk woeste grond, nog niet ontgonnen hei, veen of moeras. [N 27, 4a; N 11, 6; N 11A, 112; ALE 254]
I-8
|
| 29892 |
stukken houtskool |
ameren:
ǭmǝrǝ (L331p Swalmen)
|
In L 270 werd de vrouw die de stukken houtskool ophaalde en ze vervolgens in de omgeving verkocht, amerenmarieke (ǭm\r\marik\) genoemd - Donkers, pag. 51. In L 381 gebruikte men een ijzer om stukken houtskool uit de oven te trekken. Men noemde dit een kissel (kes\l). [monogr.]
II-8
|