e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L269a plaats=Hout-Blerick

Overzicht

Gevonden: 1253
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zitvlak van een broek boksenbodem: böksenbaom (Hout-Blerick) zitvlak, kruis, bodem van de broek [boksebaom, zolder, zuur schrej, kont, wan] [N 23 (1964)] III-1-3
zoetstof voor peperkoek massé: masē (Hout-Blerick) De diverse zoetstoffen die in het peperkoekdeeg verwerkt worden. Inhoudelijk zijn het verschillende zaken. Vergelijk het lemma ''zoetstof voor taai-taai''. [N 29, 88b] II-1
zoetstof voor taai-taai honing: honing (Hout-Blerick), massé: masē (Hout-Blerick) De diverse zoetstoffen die in het taai-taaideeg verwerkt worden. Inhoudelijk zijn het verschillende zaken. [N 29, 87b; N 29, 87; N 29, 87a; N 29, 88] II-1
zoldergat, opening in de koestalzolder hooigat: [hooi]gāt (Hout-Blerick) In de koestalzolder is meestal een opening waardoor het hooi naar beneden geworpen wordt om het aan de dieren te voeren. Waar de koestalzolder in open verbinding staat met de schuur is er meestal geen opening in de zoldering. Een aantal opgaven betreffen een luik of een scharnierende deur waarmee de opening afgesloten kan worden. De benamingen kunnen ook gebezigd worden voor een opening in de gevel of in het dak waardoor het hooi op de zolder wordt gebracht. Zie ook het lemma "hooivenster" (3.4.5). Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) (hooi) het lemma "hooi" in aflevering I.3. Zie ook afbeelding 16.c bij het lemma "hooizolder, koestalzolder, schuur" (3.4.1). [N 5A, 56b; N 5, 97 en 97a; L 42, 24 passim; monogr.; add. uit N 5A, 57c] I-6
zolderkamer zolderkamertje: zoldərkēͅmərkə (Hout-Blerick) zolderkamer [N 05A (1964)] III-2-1
zomerkapmanteltje pelerinetje (<fr.): pelderienke (Hout-Blerick) kapmanteltje voor de zomer met een ovaalvormig voor- en achterpand [pelderien] [N 25 (1964)] III-1-3
zomerkleren zomerkleren: zomerklejer (Hout-Blerick) zomerkleren [N 23 (1964)] III-1-3
zondagse kleren zondagse kleren: zondagse kléjer (Hout-Blerick) zondagse kleren [t sondagsdinge] [N 23 (1964)] III-1-3
zool van een schoen zool: zaol (Hout-Blerick, ... ) zool van een schoen [N 24 (1964)] III-1-3
zuigen zuigen: zuuge (Hout-Blerick), zuugə (Hout-Blerick), zy(3)̄gə (Hout-Blerick) limonade door een rietje zuigen [DC 35 (1963)] || zuigen [DC 38 (1964)] III-2-3