e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
geer begeerte:   gaer (Eys), gear (Thorn), geer (Born, ... ), gīēr (Heerlen, ... ), gèèr (Meijel), géér (Schinnen), gêêr (Stein), geer:   geer (Eisden), gejr (Oirlo, ... ), gejǝr (Bilzen, ... ), geǝr (Lutterade), gi-jǝr (Kozen, ... ), gir (Diepenbeek, ... ), gięr (Grevenbicht / Papenhoven), giǝr (Aalst, ... ), gjir (Beverst), gjiǝr (Boorsem), gēr (Asenray / Maalbroek, ... ), gēǝr (Alken, ... ), gē̜jr (Blerick, ... ), gē̜r (Buchten, ... ), gęjǝr (Klimmen, ... ), gęr (Kortessem, ... ), gęǝr (Maasmechelen, ... ), gīr (Achel, ... ), gīǝr (Arcen, ... ), jiǝr (Bleijerheide), geerakker:   g ̇ēr (Roermond), g ̇īǝr (Zonhoven), gi̯ēr (Heel, ... ), gē ̝ǝr (Leuken, ... ), gēr (Baexem, ... ), gēǝr (Herten, ... ), gę̄r (Urmond), gī(ǝ)r (Aijen, ... ), gīr (Berverlo, ... ), gīǝr (Baexem, ... ), grenzen:   gair (Neer), lange dunne tak:   gèr (Eksel), IPA, omgesp.  gɛiər (Kwaadmechelen), okselstuk:   giǝr (Eisden), ondermouw [wld ii.7, p.84-85]:   gieër (Eisden), scheve hoek:   gēr (Venlo), slip: WNT: geer, (dl. IV, kol. 689): 1) Slip van een kleed. Thans verouderd.  gīēr (Tungelroy), steil, sterk hellend:   giee (Schinveld), gieje (Eys), vlegelstok:   gēǝr (Berverlo, ... ), gē̜r (Hechtel, ... ), gē̜ǝr (Beringen, ... ), gɛ̄r (Eksel, ... ) I-1, I-4, II-12, II-7, III-1-3, III-1-4, III-4-3, III-4-4
geer inzetten geren:   geǝr enzętǝ (Lutterade), giǝr ēnzętǝ (Bilzen), gēr enzɛtǝ (Schimmert, ... ) II-7
geer ophalen een geerakker ploegen:   gē ̝ǝr ǫphālǝ (Leuken) I-1
geer opholen een geerakker ploegen:   gēr ǫphǭlǝ (Boukoul, ... ) I-1
geer rijden een geerakker ploegen:   gīr rę̄i̯ǝ (Berverlo) I-1
geer[eggen] overhoeks eggen:   giǝr[eggen] (Heythuysen) I-2
geerakker geerakker:   gērakǝr (Heijen, ... ) I-1
geerd garde:   geèrd (Borgharen), geèrt (Borgharen, ... ), gērd (Eijsden, ... ), gēͅrd (Schinveld), gēͅt (Schaesberg), gäärd (Schinveld, ... ), gèerd (Amby), gèjed (Eys), gêd (Vijlen), gêrd (Baarlo, ... ), gêrt (Maasbree, ... ), gêêrt (Oirsbeek, ... ), (Boven de ê van gêrd, hoort nog een horizitale streep te staan, deze combinatie is niet te maken ).  gêrd (Munstergeleen), (een lange stok noemt men huis gerd.  gêrd (Hunsel), boven de ´ staat een lengte-teken  gēērd (Arcen), gierroerder:   gē̜rt (Genk), ovenkrabber:   gęrt (Gronsveld), jęǝt (Vaals), stok of twijg om een kind te straffen: Een gard, garde is géén stok maar een bosje rijshout ; hier wordt duidelijk naar "stok of twijg om iemand te straffen"verwezen en wordt daar opgenomen.  geert (Maastricht), geirt (Maaseik), géért (Eupen, ... ), gêêt (Aalst-bij-St.-Truiden), Een gard, garde is géén stok maar een bosje rijshout ; hier wordt duidelijk naar "stok of twijg om iemand te straffen"verwezen en wordt daar opgenomen. Cf. WNT s.v. "gard - voorheen ook gaard, geerd"zie bij garde; cf. WNT s.v. "garde - voorheen ook gaarde, gerde en alsnog in Vl. België, geerde  géért (Bocholt), znd 23, 60c; cf. Vd s.v. "II. gaard, gaarde"1. taai, recht waterwilghout in bossen, gebr. voor rijswerk; vgl. VD s.v. "gard, garde"; cf. VD s.v. "II geerde"; zie gard  gèèrd (Bree), vitsroede:   gɛ̄rt (Eupen), vlegelstok:   geat (Kuringen, ... ), geęt (Sint-Huibrechts-Hern), giat (Berg, ... ), gięt (Henis, ... ), giǫt (Martenslinde, ... ), giɛt (Hoeselt, ... ), gjat (Gelinden, ... ), gjā.t (Diepenbeek, ... ), gjāt (Alken, ... ), gāt (Kiewit), gērt (Heerlerheide, ... ), gēǝrt (Amstenrade, ... ), gēǝt (Bilzen, ... ), gē̜rt (Arcen, ... ), gē̜xt (Eisden, ... ), gē̜ǝt (Binderveld, ... ), gęat (Aalst, ... ), gęǝt (Bocholtz, ... ), gę̜i̯rt (Laar, ... ), gę̜rt (Bergen, ... ), gīǝt (Beverst, ... ), gɛrt (Berg / Terblijt, ... ), gɛ̄rt (Achel, ... ), gɛ̄t (Schaesberg, ... ), gɛ̄ǝrt (Helchteren), gɛ̄ǝt (Beverst, ... ), werktuig waarmee de oven wordt leeggehaald:   gērt (Genk, ... ), gɛ̄r (Koersel), zweep van de koeherder:   gęrt (Milsbeek, ... ) I-1, I-11, I-4, II-1, II-7, III-2-2
geerden bovenste balken van de schelf:   gē̜ ̞rdǝ (Klimmen, ... ), kruisroeden:   gɛrdǝ (Eupen), vlechttwijgen:   gē̜rdǝ (Klimmen) I-6, II-7, II-9
geerhamel geerhamer:   gērhāmǝl (Hasselt, ... ) II-12